Holkema Family Tree

Doe't pake nog feint wie......

Person Page 15

Aurelia van Holkema

F, #351, b. 19 June 1842, d. 23 February 1843

Parents

FatherArjen Buwalda van Holkema (b. 2 January 1811, d. 22 September 1891)
MotherCatharina Stam (b. 24 June 1817, d. 19 January 1853)

Biography

Aurelia van Holkema was born on 19 June 1842 in Oldeboorn. She died on 23 February 1843 at age 0 in Oldeboorn.
1871 Oldeboorn, notaris W. A. Evertsz
Inv. nr. 109052 repertoire nr. 74 d.d. 18 november 1871
Testament
- Aurelia van Holkema te Oldeboorn

1892 Oldeboorn, notaris P. H. T. de Lange
Inv. nr. 109075 repertoire nr. 37 d.d. 23 april 1892
Royement, akte niet aanwezig
- Aurelia van Holkema te Groningen, gehuwd met Adrianus
Catharinus Cornelius Folkertsma
- Johannes Roelofs Coehoorn te Terhorne.
Aurelia van Holkema has reference number 351.
Last Edited11 October 2021

Tjomme van Holkema

M, #352, b. 9 December 1843, d. 4 January 1891

Parents

FatherArjen Buwalda van Holkema (b. 2 January 1811, d. 22 September 1891)
MotherCatharina Stam (b. 24 June 1817, d. 19 January 1853)

Family: Catharina Sophia Kremer (b. 3 January 1843, d. 6 September 1909)

SonArjen Buwalda van Holkema+ (b. 31 August 1873, d. 26 February 1953)
SonAlexander Frederik van Holkema (b. 6 January 1875, d. 18 March 1943)
SonFranciscus van Holkema (b. 26 November 1876, d. 30 June 1929)
SonTjomme van Holkema (b. 22 December 1882)

Biography

Tjomme van Holkema was born on 9 December 1843 in Oldeboorn. He died on 4 January 1891 at age 47 in Amsterdam.
Uitgever te Amsterdam.

Een ‘boekverkooper’ van het goede soort, zo werd Tj. van Holkema bij zijn overlijden door collega's genoemd. Een goede boekverkoper beperkte zich in 1891 niet tot het bestellen van boeken ‘bij den uitgever’. Wat hij in zijn winkel verkocht, had hij gelezen en soms zelfs ‘gemaakt’.

Tjomme van Holkema en S. Warendorf jr. waren beiden van dat goede soort. Zij kenden elkaar door de boekwinkel van Scheltema & Holkema. Tj. van Holkema was daar sinds 1868 de directeur, S. Warendorf jr. de jongste bediende (vanaf 1877). Het boekverkopersvak was kennelijk zo boeiend dat beiden ook boeken gingen produceren. Tj. van Holkema in 1882 en S. Warendorf jr. in 1886. Na het overlijden van Tj. van Holkema zorgde de weduwe Van Holkema voor een samensmelting van hun activiteiten, lang voordat het fusievirus de boekenwereld zou besmetten.

Als wapenspreuk koos de nieuwe uitgeverij ‘Volhardt & Waect’. Helaas vermelden de archieven niet waar die spreuk vandaan komt, noch waarin volhard moest worden of waartegen gewaakt. Hij is halverwege de jaren dertig uit de boeken verdwenen. Toch hebben volharding en waakzaamheid zeker bijgedragen aan de eeuw kinderboeken waarop Van Holkema & Warendorf nu terugkijkt.

Het kinderboek krijgt vanaf het begin een belangrijke plaats in het algemene assortiment. Eerst waren dat vooral vertalingen van buitenlandse klassiekers, daarna ook historische verhalen van vaderlandse bodem, prentenboeken en jeugdromans.

Joh. Braakensiek, vanaf 1886 de politieke tekenaar van het weekblad De Amsterdammer (later De Groene Amsterdammer, een uitgave van Van Holkema & Warendorf), heeft het aanzien van dat kinderboekenfonds in belangrijke mate bepaald. Door zijn omslagen en illustraties maakte hij Willem Roda van E. Heimans, De lotgevallen van Tom Sawyer van Mark Twain, de boeken van Captain F. Marryat, C.Joh. Kieviet, P. Louwerse en Suze Andriessen tot een goede kameraad voor velen.

Van Holkema & Warendorf heeft altijd een voorzichtig maar handig beleid gevoerd. Wie de geschiedenis overziet, zal tot de conclusie komen dat de uitgeverij geen voortrekkersfunctie heeft gehad, maar graag reageerde op ontwikkelingen in het veld. Het eigen gezicht dankt zij aan prominente auteurs als C. Joh. Kieviet, P. Louwerse, Dick Laan, Jaap ter Haar, Wim Hofman en Imme Dros. En aan de ‘bibliotheken’: De Goede Kameraad, de Oranjebibliotheek, Het Kransje, Primula Veris of De Geïllustreerde Lelie-Bibliotheek, series boeken met een herkenbaar uiterlijk.

Hoe goed dat herkenbare uiterlijk werkte, blijkt uit de woorden van Victor van Vriesland: ‘Er was een serie kinderboeken die, als ik mij niet vergis, getiteld was “Oranjebibliotheek”. Dit sloeg duidelijk op de kleur van de band en niet op de inhoud van de boeken [...] Uit deze serie weet ik nog één boek: De pleegdochter van de goochelaar. Van dat boek heeft vooral de laatste zin indruk gemaakt: “Zelfs de neus van de markies glansde met buitengewone

glans.” Structureel, zou men tegenwoordig zeggen, was die zin een meesterlijke afsluiting van dat hoofdstuk, en daarvoor was ik als kind gevoelig, meer dan voor de feiten van het verhaal zelf.’

Als dit jubileumboek net zo'n glanzende neus oplevert als die van de markies heeft u er weer een goede kameraad bij.

Tjomme van Holkema, sinds 1868 eigenaar van Scheltema & Holkema, had datzelfde gedaan in 1882. Hij publiceerde onder andere werk van Marryat, P. Louwerse, P.J. Andriessen en Agatha. Als Tjomme van Holkema op 4 januari 1891 aan influenza overlijdt, vraagt zijn weduwe of de vroegere werknemer S. Warendorf jr. de zaak van haar man wil voortzetten. Eerst nog als associé, later zelfstandig en vanaf 1898 in samenwerking met haar zoon, A.B. van Holkema. In 1901 trekt mevrouw de weduwe Tj. van Holkema zich terug als deelgenoot van de firma.
De boeken van beide uitgevers worden opgenomen in het fonds van de nieuwe firma, Van Holkema & Warendorf, die met haar beleid aansluit op de gesignaleerde tijdgeest. Het kinderboek krijgt van meet af aan een grote plaats. De eerste prentenboeken, Bezoek aan den dierentuin en Bezoek aan de pachthoeve (1891), passen door hun ontspannend, nuttig en informatief karakter in wat er rond de eeuwwisseling van kinderboeken wordt verwacht. Maar de concurrentie is hevig. Uitgeverij Kluitman, Sijthoff, J. Vlieger en Van Goor onderhouden al goede contacten met de dan bekende auteurs en illustrators: J.J.A. Goeverneur, P. Louwerse, Chr. van Abkoude, Joh. H. Been, C. Joh. Kieviet, J.H. Isings, Nelly Bodenheim, Rie Cramer, W.G. van de Hulst. Ook H.J.W. Becht, eerst nog reiziger voor Van Holkema & Warendorf, maar vanaf 1893 zelfstandig uitgever, blijkt een geducht concurrent. 'Hij nam veel schrijvers mee en bleef trachten ons de kaas van het brood weg te nemen!' aldus een klacht van S. Warendorf jr.
De eerste jaren vaart Van Holkema & Warendorf een rustige koers. Er verschijnen vooral herdrukken uit de twee afzonderlijke fondsen, en vertalingen van klassieke meesterwerken (Twain, Defoe). Met de uitgave van geschiedkundige werken zoekt Van Holkema & Warendorf aansluiting bij de trend tot volksverheffing. De historische verhalen voor jong en oud Nederland zijn een groot succes, zeker als ze eenmaal door Johan Braakensiek worden geïllustreerd.

De ondergetekende heden een boekwinkel geopend hebbende in de Beurssteeg, hoek Kromelboogsteeg, heeft de eer zich bescheidenlijk aan te bevelen tot het leveren van Binnen- en Buitenlandsche PRACHT- en BOEKWERKEN, alsmede BIND- en DRUKWERK en wat verder den Boekhandel betreft, zullende niets onbeproefd laten, om zich het vertrouwen zijner Begunstigers waardig te maken. Amsterdam, 6 junij 1853, J.H.Scheltema".

Met deze advertentie in het Algemeen Handelsblad van 6 juni 1853 was een begin gemaakt met de geschiedenis van een boekhandelsfirma, later ook nog uitgeverij, die nu 125 jaar dat ingewikkelde boekenvak mede heeft bepaald; Scheltema en Holkema.

Over Holkema moeten we het in een later stadium hebben; eerst was er Scheltema alleen.
J.H. Scheltema, de jongere broer van P. Scheltema, die later de eerste gemeente-archivaris van Amsterdam zou worden werd op 19 juni 1829 geboren. In 1845, zestien jaar oud, kwam hij in dienst bij J.D. Sybrandi, boekhandelaar en drukker, die een zaak had in de Warmoesstraat bij de Sint-Jansstraat. Wie nu probeert deze zaak terug te vinden, komt bedrogen uit, want Krasnapolsky heeft de grond van boekhandelaar Sybrandi, samen met die van andere winkeliers in de Warmoesstraat in later jaren overgenomen om er het imposante hotelcomplex te vestigen. In 1909 zou J.W. Enschedé in een brochure, die aan het leven van Scheltema was gewijd over die Sybrandi vertellen, dat deze een zekere vermaardheid genoot in het africhten van jongelui.

In ieder geval onderging de jonge Scheltema vijf jaar lang dat onderricht voordat hij als bediende ging werken bij boekhandelaar P.N. van Kampen aan het Singel bij de Oude Spiegelstraat (nu Singel no. 330). Van Kampen was onder andere uitgever van ‘De Gids’ en in de drie jaar dat Scheltema bij Van Kampen werkte gaf Van Kampen ook nog de vierdelige beschrijving van ‘Java’ door Junghuhn en de ‘Karolingische Verhalen’ van Alberdingk Thijm uit.
Het waren bij elkaar acht harde leerjaren, maar ook vruchtbare. In ieder geval belangrijk genoeg om er zijn nieuwe clientèle in 1853 (op 2 mei, dus een maand voordat hij zijn eigen zaak zou openen) er in een brochure op te wijzen. Sybrandi en Van Kampen zagen er trouwens geen been in om de energieke jongeman, die hoe dan ook een concurrent zou worden, te steunen.
In dezelfde brochure schreven ze een aanbeveling. Sybrandi sprak over de lust voor ons vak, die Scheltema toonde en over diens ijver. De aanbeveling ondertekende hij met een bijna smekend Geloof mij met de meeste achting. Van Kampen voegde er wat treurig aan toe, dat door bovenstaande aanbeveling van den Heer Sybrandi de mijne eenigszins overbodig mag genoemd worden, maar toch: Scheltema was in zijn ogen een ijverig werkzaam en solide jong mensch.
In ieder geval had ook in de negentiende eeuw een jongmens het in de harde zakenwereld niet al te gemakkelijk. Inkoop, verkoop, allemaal zaken, die niet vanzelf gaan en waar naast een dosis intuïtie ook nog een portie hardheid aan te pas komt. Want verkopen is één ding, zorgen dat je je geld binnenkrijgt is nog wel iets anders. In ieder geval is er een briefje overgebleven, die de jonge Scheltema op 21 juli 1857 naar Deventer stuurde, naar ene D.J. Wilterdink. ‘Mijnheer!’, luidde de ferme aanhef. ‘Ten derden male verzoek ik U beleefdelijk mij het onverkochte Commissiegoed van 1856 te willen terugzenden, of, zoo het door U is geplaatst, mij daarvan ten spoedigste te willen kennis geven, ten einde onze rekening over A.P. te kunnen sluiten. In afwachting. Uw Dw. Dienaar, J.H. Scheltema’. Met potlood is op het briefje, vermoedelijk door de Deventerse Wilterdink geschreven ‘afgedaan’. Daarmee schreef hij geen leugen op, want in de daarop volgende jaren drijft Scheltema, getuige een uitvoerige correspondentie, nog steeds zaken met hem.

Tot 1868. Toen hield hij er mee op. ‘Geachte Confrater’ liet hij drukken. ‘Bij dezen heb ik de eer U mede te deelen, dat op 1 januari a.s. mijne zaak zal overgaan aan den firma Tj. HOLKEMA door wien deze zal worden voortgezet onder de firma SCHELTEMA & HOLKEMA’.
Ook Holkema schreef een beleefd stukje, waarin hij ondermeer mededeelde: ‘Van alle vervolgwerken en deelen die vroeger door den Heer SCHELTEMA werden geleverd, zal ik gaarne hetzelfde getal ontvangen en trachten te plaatsen’.

Scheltema liet een goed lopende zaak aan zijn opvolger na, met een bloeiende handel op Nederlands-Oost-Indië. Waarom hij als boekhandelaar stopte; dat is een geheim, dat de geschiedenis ons niet prijsgeeft. In ieder geval waren het geen gezondheidsredenen, want hij leefde nog ruim veertig jaar; op 14 oktober 1909 stierf hij. Bovendien toonde hij zich na zijn vertrek uit het boekhandelaarsvak nog energieker dan ooit tevoren. Als verslaggever ging hij naar ‘Het Vaderland’ toe, nadat hij eerst een klein anderhalf jaar op zijn lauweren had gerust. Een baan, die veel vereiste, want Het Vaderland, opgericht in april 1869 was een krant in opbouw, die van het verslaggevers-team veel eiste om vaste voet aan de grond te krijgen.
Tien jaar later verliet hij ook de verslaggeverij en werd ambtenaar op het Departement van Oorlog, eerst als adjunkt-kommies, van 1898 af als kommies. Twintig jaar lang adjunkt zijn en dan eindelijk je inspanningen bekroond te zien door een bevordering tot kommies; het lijkt de droom voor veel ambtenaren. Niet voor Scheltema, want het jaar daarop, op 1 april 1899 nam hij ontslag.

Nog kwam hij niet tot rust. Onder de naam Scheltema de Heere stortte hij zich op historische onderzoekingen en dat resulteerde in 1907 in een artikel in het ‘Tijdschrift der Vereeniging voor Noord-Nederlands Muziekgeschiedenis’ in een artikel over David Padbrouck en Cornelis Padbrué. Uitvoerig onderzoek had hem tot de slotsom gebracht, dat de melodie voor Vondels ‘O, Kerstnacht, schooner dan de dagen’ geschreven is door de katholieke komponist (musicyn) Cornelis Thymen Padbrué, die vermoedelijk ook de muziek heeft gemaakt voor de ‘Rey van Klaerissen’. Met deze uitputtende studie kwam een eind aan een welbesteed leven.
Korrespondentie liet hij niet na. Misschien mogen we gissen naar zijn besluit om zich uit de boekhandel terug te trekken en zich op de geschiedenis (zij het als leek) te storten. Allereerst is er zijn twintig jaar oudere broer Piet (de gemeente-archivaris) die een grote invloed op de jongere broer heeft gehad. En verder was er de familie van Scheltema’s vrouw, afkomstig uit een bekend boekhandelaarsgeslacht, was de dochter van Isaac Tirion, op zijn beurt weer kleinzoon van Isaac Tirion, die al in 1727 in het gildeboek van het Amsterdamse boekverkopersgilde was ingeschreven en die ondermeer de beroemde ‘Vaderlandsche historie’ en ‘Amsterdam’ van Jan Wagenaar had uitgegeven, evenals werkjes als ‘Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden’ en ‘Tegenwoordige staat, Het verheerlijkt Nederland’.
Hoe dan ook: ingaande 1 januari 1868 is Scheltema voor ons minder belangrijk en richten we ons op de jonge Holkema. Ook hij kreeg van kollega’s de warmste gevoelens mee. Boekhandelaar J.F. van Dobben had het over ‘Mijn vriend, de Heer Tj.HOLKEMA’. G.L. Funke herdacht de jaren, dat Holkema bij hem werkte en boekhandelaar J.G. Broese toonde aan de menselijke geest zoo zeer heeft geijverd voor de belangen van zijne vorige Patroons, zal in dubbele mate wakker zijn, nu het zijne eigene belangen geldt, en eene waardige plaats onder de confrèrie innemen, aan wie ik hem dan ook zeer aanbeveel’.

Van Holkema is weinig bekend. Hij zou trouwens de firma niet zo lang leiden. In 1882 deed hij Scheltema En Holkema over aan K. Groesbeek, over wie later meer en ging als uitgever verder. Uit dat initiatief is later de uitgeverij Holkema en Warendorf ontstaan. Ook de aktiviteiten in de dertien jaar, dat hij Scheltema en Holkema leidde blijven nogal onbekend, op een serie uitgaven na. Bovendien probeerde hij van 1870 tot 1871 een krant uit te geven, het "Algemeen Dagblad van Nederland". Maar Nederland had er weinig trek in.

Belangrijker was de overname op 1 januari 1874 van boekhandel Funke, dezelfde Funke, die Tjomme Holkema een paar jaar daarvoor zo van harte had aanbevolen. De overname schijnt niet gedwongen te zijn geweest, alleen Funke had meer zin in de uitgave van zijn "Het Nieuws van de Dag", zoals allen weten een florerender onderneming dan het "Algemeen Dagblad van Nederland" van Holkema.

Holkema heeft na de overname van zijn zaak aan Groesbeek nog tien jaar geleefd. Tien jaar waarin hij zich aan onbelangrijke uitgaves wijdde, zoals "Levenlicht, Stichtelijke Bloemlezing voor onzen tijd" van P.H. Hugenholtz Jr. en van dezelfde schrijver "Waarom gaan wij heen?". Weinig opwindende titels, die in de tijd ook geen sporen hebben nagelaten, maar die in hun tijd wel een flink aantal drukken hebben gehaald. Het was dan ook Hugenholtz Jr., voorganger bij de Vrije Gemeente, waarvan Holkema in 1877 lid werd, die na zijn dood schreef: "’t Was bovenal de mensch, de eenvoudige en oprechte, de welwillende en gemoedelijke man, die een warm hart had voor kunst en letteren, maar ook voor den godsdienst, de vrije religie van het hart. In stillen eenvoud, want van ijdele vertooning had hij een diepen afkeer, heeft hij aan de verbreiding van onze beginselen krachtig meegewerkt. En daarom leggen wij met diepe droefheid en met vriendschappelijke piëteit in gedachte een eenvoudigen bloemkrans op zijn graf".
Met een overdonderende lyriek schetste Hugenholtz (als je kwaad zou willen denken, zou je bijna kunnen zeggen, met een zeker genoegen) het ziektebeeld van Holkema, die hem op 47-jarige leeftijd "ten grave sleepte". "Wel zagen wij, die hem liefhadden, hem reeds lang met klimmende bezorgdheid aan en konden wij ons niet ontveinzen, dat hij een schim was van 't geen hij vroeger was geweest. De verraderlijke influenza had ook deze krachtigen en opgewekten man gesloopt. Vergeefs zocht hij eerst te Doorn, daarna te Ems, het zo vurig begeerde herstel. Na zijne terugkomst ontstelde wie hem zag, telkens van zijn ingevallen gelaat, zijn verbleekte wangen, zijn heesche fluisterende stem".

In december 1881 liet Holkema (die onder zijn brief opeens het toevoegsel "Van" gebruikte) een bericht uitgaan, dat de heer K. Groesbeek, "die de laatste jaren als eerste bediende bij mij werkzaam was", de Debietzaak overnam. "Dat hem het recht wordt gegeven de firma Scheltema & Holkema’s Boekhandel te voeren, mag mijnerzijds als bewijs gelden dat ik in hem het meeste vertrouwen stel", schreef hij en als geruststellende mededeling liet hij volgen: "Gesteund door de noodige middelen, is hij in staat aan zijn verplichtingen op tijd te voldoen".
Bovendien gaf de boekhandel ter gelegenheid van dit heuglijke feit een koperets uit, waarop blote engeltjes in een overvolle boekhandel met allerlei titels aan het sjouwen zijn, waaronder Goethe’s "Faust", Schillers komplete werken en "Pathologie en Therapie " van Ziems.
Nu was de koperets ook wel terecht, hoewel men dat toen nog niet kon weten. De overname door Groesbeek van de boekhandel bleek een gouden greep te zijn. Aan het hoofd van de firma kwam een van de markantste figuren, die de Nederlandse boekhandel- en uitgeverijwereld ooit heeft gekend.

Groesbeek werd in 1858 geboren. Al jong belandde hij in het boekverkopersvak; zijn opleiding kreeg hij in Rotterdam bij de firma Van Hengel en Eentjes. In 1879 ging hij over naar Scheltema en Holkema, als eerste bediende. Waar hij het geld vandaan haalde om de zaak over te nemen, vermeldt de historie niet; wellicht heeft hij een lening afgesloten.
Belangrijk is Groesbeek ook geweest voor de samenwerkingsverbanden in de boekhandels- en uitgeverswereld. Voordat we ingaan op zijn werk van de eigen firma is het misschien wel aardig al zijn openbare funkties eens op een rijtje te zetten. En dan hebben we het nog niet eens over zijn geruchtmakende politieke optreden. Vooral in de Vereeniging ter Bevordering van de belangen des Boekhandels was hij aktief werkzaam. In 1922, bij zijn veertigjarig jubileum, gaf de Vereeninging een opsomming van de funkties, die hij heeft gehad:

Van 1891 tot 1894 en van 1906 tot 1909 bestuurslid.
Van 1913 tot 1915 penningmeester.
Van 1901 tot 1906 lid van de Commissie voor het Pensioenspaarfonds voor bedienden.
Commissaris van het Bestelhuis van den Boekhandel in 1902 en 1903.
Van 1905 tot 1915 was hij ondermeer voorzitter, vice-voorzitter, penningmeester en gedelegeerde van het Bestuur in de Commissie.
Van 1902 tot 1904 lid van de Commissie voor het beheer van onroerende eigendommen.
In 1909 en van 1911 tot 1913 lid van de Commissie van Toezicht op het Nieuwsblad voor den Boekhandel.
Van 1909 tot 1914 en in 1916 lid van de Commissie voor het Ondersteuningsfonds.
Van 1914 tot 1917 lid van de Commissie voor de Vakschool voor den Boekhandel.
Van 1915 tot 1917 lid van de Commissie van scheidslieden.
Verder had hij zitting in tijdelijke kommissies, zoals in 1881 in de Commissie voor het organiseren van tentoonstellingen van hulpmiddelen voor den boekhandel.
In 1892 zat hij in de Commissie voor de tentoonstellingen voor boekhandel en aanverwante vakken, die ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Vereeniging werd gehouden.
In 1903 nam hij zitting in de Commissie voor de herziening van het Algemeen Reglement.
In 1907 zat hij in de Commissie voor het samenstellen van een ontwerpwet op het auteursrecht op de werken van beeldenden kunsten.
In 1908 zat hij in de Commissie voor de herziening van het Algemeen Reglement.
En tot slot zat hij in 1910, toen in Amsterdam het Internationaal Uitgeverscongres werd gehouden maar liefst in drie kommissies, die voor de organisatie, voor het kongres zelf en die voor het comité voor de tentoonstelling.

Je mag je afvragen of iemand naast zoveel organisatorisch werk nog tijd overhield voor de eigen firma. Geen probleem. De firma floreerde en Groesbeek nam er zelf een belangrijke sektor bij: die van de kunsthandel. In februari 1892 associeerde hij zich met de gerenommeerde kunsthandel Van Wisselingh.

E.J. van Wisselingh had twee zaken; een in Londen en een in Den Haag. Omdat Van Wisselingh zich op zijn Britse bastion terug wilde trekken, maar hij Nederland aan de andere kant niet wilde prijs geven, zocht hij samenwerking met Groesbeek, die zich al had ontpopt als een fervent kunstliefhebber. De Haagse zaak van Van Wisselingh werd opgeheven en in de Kalverstraat 194 opende Van Wisselingh een nieuwe zaak, samen met Groesbeek, die al twee jaar lang de zaken in Amsterdam voor Van Wisselingh zo’n beetje behartigde. Opvallend is, dat in de brief, die Van Wisselingh in februari 1892 naar zijn relaties uit liet gaan om hen dat nieuws mede te delen ook wordt vermeld, dat K. Groesbeek voortaan als E.J. van Wisselingh zal tekenen. We zien op de brief dan onder elkaar in twee verschillende handschriften dezelfde signatuur staan. Het zou voor Scheltema en Holkema de start zijn van een imposante serie kunstuitgaven.
Villiers de l’Isle Adam’s "Akëdysseril" bijvoorbeeld in een vertaling van Lodewijk van Deyssel met etsen van Marius Bauer. Vijftig gulden kostte de map, gebonden maar liefst honderd gulden.
Andere prachtuitgaven waren "De Haagsche School in het Museum Mesdag" door P.A.M. Boele van Hensbroek en door dezelfde schrijver, samen met mej. M. Marius "Het Museum Mesdag en zijn stichters".

Tot op heden zeer gezochte uitgaven zijn ook het toonaangevende "De Rembrandt-tentoonstelling te Amsterdam" door C. Hofstede de Groot, de "Rembrandt-bijbel" en "Jan Steen" door A. Bredius geweest.

Dat laatste boek kwam in 1927 uit en was misschien wel de laatste belangrijke kunstuitgave.
Dit waren boeken voor de liefhebbers met een ruime beurs.
Daarnaast werkte Groesbeek ook voor een groter publiek in de vorm van prenten tegen tamelijk lage prijs, prenten, die meer waren dan alleen maar een reproduktie. Er waren etsen van Graadt van Roggen, Harting en Nieuwenkamp voor nog geen tien gulden. En daarnaast in de reeks facsimilé’s fotogravures naar Breitner, Jacob Maris, Vermeer en Fabritius.
"In het bijzonder leggen wij ons toe op een smaakvolle en niet kostbare omlijsting der platen", zegt een folder uit die jaren, "terwijl een ruime voorraad van etsen, gravures en foto’s in lijst niet alleen dienstig is voor dadelijke aflevering, maar tevens de keuze van een lijst vergemakkelijkt".
En wie geen zin had om naar Amsterdam te komen? Die kon een "Compleete catalogus" aanvragen, "ruim 300 afbeeldingen bevattend, op zicht gezonden... of voor 50 cent, gebonden 90 cent, in eigendom te bekomen".

Groesbeek, die eigenlijk architekt had willen worden, zorgde ervoor, dat de uitgaven tot in de puntjes verzorgd waren. Daartoe behoren ook werken als het boek van Wenckebach: "De Muizenkoning".
Hij werd daarin geadviseerd door T. Nieuwenhuis, een van de grote vernieuwers van de Nederlandse toegepaste kunsten van rond de eeuwwisseling.

Ook privé werkte die liefde voor architektuur en toegepaste kunsten door. Hij had een immense verzameling foto’s van wereldlijke en kerkelijke gebouwen met kunsthistorische waarde; interessant voor latere generaties omdat hij nog vastgelegd had wat later door vernieuwingsdrift of oorlog werd vernietigd. Ook park- en bosgezichten op de foto verzamelde hij, een curieuze kollektie, waarin we gewaar kunnen worden hoe onze voorouders over tuinarchitektuur dachten. In 1925, toen Amsterdam 650 jaar bestond, bracht Scheltema en Holkema een omvangrijk werk over Amsterdam uit waarin veel van die foto’s uit de kollektie van Groesbeek zijn opgenomen.

Als we dit alles overzien (en nog verschillende hoogtepunten uit de loopbaan van Groesbeek zullen volgen) is het niet verwonderlijk dat de verschillende Nederlandse kranten elk jubileum of elk kroonjaar van Groesbeek aangrepen om aandacht aan deze unieke figuur te wijden, zoals Henri Polak, een goede vriend van hem, dat 8 april 1928 in het Algemeen Handelsblad deed bij de 70e verjaardag van Groesbeek. Een stuk, niet alleen boeiend om het licht, dat hij op een figuur als Groesbeek werpt, maar ook omdat het ons inzicht geeft op de wijze waarop men in die dagen over het uitgevers- en boekhandelaarsvak dacht.

"Iedere uitgever", schrijft hij, "werkt in zekere, somtijds in zeer groote mate mede aan het verspreiden van beschaving, aan de vermeerdering van cultuurschatten; want hij neemt immers het initiatief tot het onder de menschen brengen van hetgeen in den geest en door de scheppingskracht van schrijvers en kunstenaars is ontstaan; en aan dit initiatief is groot stoffelijk risico verbonden, veel meer dan aan welke andere nijverheids- of handelsonderneming ook, daar immers, bij niet slagen, het product volkomen waardeloos is en alle gemaakte kosten verloren zijn. Uitgevers hebben dus recht op openbare erkentelijkheid en van ouds heeft de boekverkoper dan ook in bijzonder aanzien gestaan".

Die erkentelijkheid was er dan ook. De boekhandel werd op het Rokin 74-76 druk bezocht en de telefoon (no.621) rinkelde voortdurend om de bestellingen op te nemen.
Daar waren boeken bij van binnen- en buitenlandse uitgeverijen, maar niemand mag het de boekhandel kwalijk nemen, dat de uitgaven van de eigen uitgeverij een extra plaatsje in de etalagekast kregen. Uitgaven ook, die die aandacht verdienden. De tweede druk van "Een Liefde" van Lodewijk van Deyssel bijvoorbeeld en ook diens "Verzamelde Opstellen". Verder ook het werk van woordgoochelaar Ary Prins en wie de katalogi uit die jaren doorbladert komt er ook namen tegen als Jan Veth; de vooraanstaande publicist op het gebied van beeldende kunsten; Engelse duivelskunstenaar Walter Crane en op het gebied van de wetenschappen namen als J.H. Fabre, dr. D.G. Jelgersma, H. Treub, M. Treub, J.K.A. Wertheim Salomonson en prof. dr. P. Zeeman. De tijd heeft een juister beeld gegeven over het belang van sommigen van hen, maar het feit blijft, dat in hun jaren zij tot de meest vooraanstaande publicisten op hun vakgebied behoorden.

En dan zijn er nog periodieken als "Buiten", het "Medisch Weekblad" en niet te vergeten het beroemde "De Kroniek", waarover verderop meer. Dit alles was te danken aan het energieke drijven van Groesbeek, die rond de eeuwwisseling zijn stal nog wist uit te breiden met coryfeeën als Schaepman (Verzamelde Dichtwerken), Shakespeare (in de vertaling van Burgersdijk, voor velen nog steeds niet overtroffen) en Verwey (Verzamelde gedichten), terwijl uitgaven van Staring, Hélène Swarth, Vosmaer en Vondel (in de uitgave verzorgd door Van Lennep) voor een stevige fondsbasis zorgden.

Ook jongensboeken gaf Scheltema en Holkema in die jaren uit.
Een selektie uit die nostalgie verwekkende titels:
Bertrand, Eindelijk gesnapt f 2,90
Defoe, D., Robinson Crusoë. Geïll. Prachtuitgave f 4,50
Heimans en Thijsse, Hei en Dennen f 1,90
idem, Van Vlinders, Bloemen en Vogels f 1,50
idem, In Sloot en Plas f 1,90
Koevits, J., Het Slot op den hoef f 1,90
Stowe, B., De Negerhut f 1,90

Opvallend is, dat Scheltema en Holkema ook jongensboeken voor de export vervaardigde. In de katalogi staan verschillende titels in het Frans en Engels, waaronder een paar titels van Jules Verne, van Hentey (With Frederick the Great) en Henry Marden (Architects of Fate).
Dat alles was zonder Groesbeek nauwelijks denkbaar. Hij zal best een moeilijke man geweest zijn. Zijn niet aflatende strijd tegen de demping van het Rokin schijnt Amsterdammers uit die jaren (en met name de stadsbestuurders) slapeloze nachten bezorgd te hebben.
In artikelen wordt hij bescheiden genoemd, maar uit al het materiaal, dat we nu doornemen komt hij naar voren als een man met een enorm doorzettingsvermogen, verre van bescheiden (maar is ijdelheid vaak niet de bron van veel ondernemingslust) en tot op hoge leeftijd zeer resoluut in het poneren van zijn meningen en in het doordrijven van zijn wil. Niet uit kinderachtigheid, maar omdat hij, opgegroeid in een tijd, waarin van inspraak en medezeggenschap nog geen sprake was, ervan overtuigd was een beter inzicht te hebben dan zijn omgeving. En het moet gezegd: de bloei van zijn firma in de jaren dat hij het bewind voerde, gaf hem daarin vaak nog gelijk ook.

In 1893 leek echter, dat hij niet alles aankon en daarom nam hij Paul Nijhoff als vennoot in zijn zaak op. Deze, in 1868 geboren, kwam ook uit een erkend boekhandelaars- en uitgeversgeslacht. Hij was de broer van de Haagse uitgever Wouter Nijhoff, die zijn oom was opgevolgd als hoofd van de firma Martinus Nijhoff.

Veel later zou hij in een interview in het Nieuwsblad voor den Boekhandel (ter gelegenheid van zijn veertigjarig jubileum) een paar uitspraken doen, die een aardig licht werpen op het vak van boekhandelaar, c.q. uitgever rond de eeuwwisseling.

"Ach ja, het is ook alles wel véél moeilijker geworden dan in mijn jongen tijd. Er is ook veel en véél te veel gekomen, zoodat het eigenlijk niet meer bij te houden is. Ik weet nog goed welk een gebeurtenis het voor ons was als er een nieuwe bundel zou verschijnen van Paul Verlaine of een roman van Frederik van Eeden. Daar zat je dagen naar uit te kijken. Tegenwoordig (in 1933) verdringt helaas het eene boek het andere en daardoor verdwijnen de wezenlijke evenementen. Als boekhandelaarszoon ben ik natuurlijk in het vak opgegroeid, eerst bij mijn vader, daarna in Leipzig, mijn ‘studententijd’, zou ik willen zeggen. Dat beteekende toch wel iets, de kennismaking met menschen als Baedeker, Koehler en Volkmar. Die sfeer: in een werkelijk brandpunt van het boekbedrijf te leven, is beslissend voor je latere jaren. Je houdt er van of niet, een van beide. Ik ben toen naar Holland teruggegaan, heb korten tijd bij Elzevier gewerkt en toen ben ik bij Scheltema & Holkema’s Boekhandel gekomen en dat is nu al veertig jaar geleden. ‘t Is niet te gelooven. Mijn belangstelling is er niet minder om geworden, integendeel. Ik geniet nog altijd even veel van het zien van al die nieuwe boeken uit de verschillende talen, die van het Bestelhuis en de Duitsche, de Fransche, de Engelsche. Ook heb ik er direct aan een antiquariaat opgericht. Dàt is een heerlijk gebied. Maar je

1892 Oldeboorn, notaris P. H. T. de Lange
Inv. nr. 109075 repertoirenrs. 10 en 13 d.d. 13 februari
1892
Provisionele en finale toewijzing
Betreft een huizinge met slagerij met erf en bleekveld te
Terhorne, koopsom fl. 410
- Aurelia van Holkema te Groningen, gehuwd met Adrianus
Catharinus Cornelius Folkertsma als verkoper en eerste
hypothecaire crediteur
- Sophia Catharina Kremer te Amsterdam, weduwe van Tjomme
van Holkema als verkoper, tevens als moeder van en voogd
over Arjen Buwalda, Alexander Frederik, Fanciscus en Tjomme
van Holkema
- Johannes Roelofs Coehoorn te Terhorne als verkoper
- Ane Jacobus de Vries te Terhorne als koper.
Tjomme van Holkema has reference number 352.
Last Edited11 October 2021

Catharina Sophia Kremer

F, #353, b. 3 January 1843, d. 6 September 1909

Parents

Family: Tjomme van Holkema (b. 9 December 1843, d. 4 January 1891)

SonArjen Buwalda van Holkema+ (b. 31 August 1873, d. 26 February 1953)
SonAlexander Frederik van Holkema (b. 6 January 1875, d. 18 March 1943)
SonFranciscus van Holkema (b. 26 November 1876, d. 30 June 1929)
SonTjomme van Holkema (b. 22 December 1882)

Biography

Catharina Sophia Kremer was born on 3 January 1843 in Amsterdam. She died on 6 September 1909 at age 66 in Amsterdam.
1892 Oldeboorn, notaris P. H. T. de Lange
Inv. nr. 109075 repertoirenrs. 10 en 13 d.d. 13 februari
1892
Provisionele en finale toewijzing
Betreft een huizinge met slagerij met erf en bleekveld te
Terhorne, koopsom fl. 410
- Aurelia van Holkema te Groningen, gehuwd met Adrianus
Catharinus Cornelius Folkertsma als verkoper en eerste
hypothecaire crediteur
- Sophia Catharina Kremer te Amsterdam, weduwe van Tjomme
van Holkema als verkoper, tevens als moeder van en voogd
over Arjen Buwalda, Alexander Frederik, Fanciscus en Tjomme
van Holkema
- Johannes Roelofs Coehoorn te Terhorne als verkoper
- Ane Jacobus de Vries te Terhorne als koper.
Catharina Sophia Kremer has reference number 353.
Last Edited11 October 2021

Alexander Friederich Kremer

M, #354

Family: Anna Alydia Reijnders

DaughterCatharina Sophia Kremer+ (b. 3 January 1843, d. 6 September 1909)

Biography

Alexander Friederich Kremer has reference number 354.
Last Edited11 October 2021

Anna Alydia Reijnders

F, #355

Family: Alexander Friederich Kremer

DaughterCatharina Sophia Kremer+ (b. 3 January 1843, d. 6 September 1909)

Biography

Anna Alydia Reijnders has reference number 355.
Last Edited11 October 2021

Arjen Buwalda van Holkema

M, #356, b. 31 August 1873, d. 26 February 1953

Parents

FatherTjomme van Holkema (b. 9 December 1843, d. 4 January 1891)
MotherCatharina Sophia Kremer (b. 3 January 1843, d. 6 September 1909)

Family: Wilhelmina Maria de Breuk (b. 25 March 1879)

DaughterMaria Coletta Jacoba van Holkema (b. 10 August 1902)
DaughterCatharina Sophia van Holkema (b. 26 January 1904, d. 1958)
DaughterJohanna Jacoba van Holkema (b. 5 November 1908, d. before 2004)

Biography

Arjen Buwalda van Holkema was born on 31 August 1873 in Amsterdam. He and Wilhelmina Maria de Breuk were married on 19 September 1901 in Haarlem. Arjen Buwalda van Holkema died on 26 February 1953 at age 79 in Amsterdam.
Directeur van uitgeverij Van Holkema en Warendorf NV te Amsterdam.
Officier in de orde van Oranje Nassau.

Afkomstig uit: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1951-1953, pag. 73-75.

ARJAN BUWALDA VAN HOLKEMA

(31 Augustus 1873 -- Amsterdam -- 26 Februari 1953)

Met Arjan Buwalda van Holkema is een der laatste grote figuren van de oude garde van de Nederlandse uitgeverswereld heengegaan. Zijn vader, Tjomme van Holkema, zoon van een Doopsgezind predikant te Oldeboorn in Friesland, vestigde zich in 1878 als uitgever op de Keizersgracht 436 te Amsterdam, nadat hij zijn boekhandel Scheltema en Holkema had overgedaan. In 1891 stierf hij; zijn weduwe, geb. Kremer, zette de zaak voort met hulp van de reiziger S. Warendorf, met wie zij zich later associeerde, waardoor de firma Van Holkema en Warendorf ontstond. Arjan kreeg zijn opleiding bij de toenmaals belangrijke firma Kreunen te Deventer, waar hij ongeveer twee jaar bleef, en als finishing touch een klein jaar bij Georg Thieme in Leipzig. In 1896 werd hij procuratiehouder van de ouderlijke firma, en in 1901 toen Mevrouw Van Holkema zich uit de zaken terugtrok, medevennoot.

In 1925 werd de firma een N.V., de zoon van de in 1918 overleden heer S. Warendorf, M. E. H., werd zijn mededirecteur. Eind 1940 vertrok die naar de Ver. Staten; in zijn plaats kwam Januari 1941 de heer R. van der Velde de taak van de toen 67-jarige verlichten, waarbij in 1950 Mr A. E. Stheeman kwam.

In 1901 huwde hij met Mejuffrouw Wilhelmina M. de Breuk, zuster van de echtgenote van Jan Tadema, van de firma F. Bohn te Haarlem.

Na de Keizersgracht 436 was de firma achtereenvolgens gevestigd: in 1891 op de Singel 542, in 1900 op de Herengracht 457 en sedert Mei 1907 op de Keizersgracht 333.

De firma Van Holkema en Warendorf heeft vele en belangrijke uitgaven ter wereld gebracht, noemen wij als de voornaamste: De Juliana-bijbel, de talrijke Gedenkboeken bij jubilea van leden van het Koninklijk Huis, waardoor zij o.a. Prof. Dr H. Brugmans en Generaal W. G. de Bas aan haar uitgeverij verbond, N. de Roever en G. J. Dozy, Het leven van onze voorouders, (in 1890 door vader van H. begonnen en in 1906 compleet gekomen in 6 delen, thans in de 3e druk, in 4 delen, in 1938/39 bijgewerkt en voortgezet door Dr F. H. Fischer), de werken van Justus van Maurik, die door vorige generaties in en buiten Amsterdam werden verslonden, van Top Naeff, J. P. Zoomers-Vermeer, G. van Nes-Uilkens, enige van Louis Couperus, Marcellus Emants, de statige rei van 10 delen Proza van Albert Verwey, de Parlementaire Redevoeringen van Dr Abraham Kuijper, nog steeds exempelen van schoon Nederlands. De kinderen heeft hij aan zich verplicht met de reeksen Oranje-Bibliotheek en De Goede Kameraad, waarin de verslonden geworden boeken van C. Joh. Kieviet, vertalingen van Kapitein Marryat, Louwerse's Vaderlandse- en Molt's Algemene Geschiedenis.

In 1938 voegde hij een afdeling medische boeken aan zijn uitgaven toe.

Ook het wel en wee van het uitgeven van tijdschriften heeft hij in ruime mate ondervonden: tot 1926 verscheen De Groene Amsterdammer bij hem, Groot Nederland, het belangrijke letterkundige tijdschrift onder de leiding eerst van Cyriel Buysse, Louis Couperus en W. G. van Nouhuys, daarna van Frans Coenen, J. Greshoff, Jan van Nijlen en S. Vestdijk, van de oprichting in 1903 af tot het einde in 1944, toen de bezetting het verder verschijnen belette. Sedert 1906 De Vrouw en haar Huis, onder redactie van Elis. M. Rogge, van 1932-1940 De 8 en Opbouw van Merckelbach, van 1931-September 1952 De Kern, tijdschriftartikelen van blijvend belang uit binnen- en buitenland, Onze Aarde, onder redactie van Dr W. van Bemmelen van 1928-1940.

Het is geen wonder dat zo'n actieve man, zo vol goede ideeën, en knap organisator in het verenigingsleven een belangrijke rol heeft gespeeld. In de eerste plaats in de Nederlandse Uitgeversbond en in de Vereniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels. Voor die belangen stond hij steeds op de bres, zij het dikwijls op dictatoriale wijze, die niet altijd instemming vond, maar steeds bleek zijn zienswijze de juiste. In 1915 was hij voorzitter van de feestcommissie van de Vereniging en tussen 1918 en 1937 vier maal voorzitter en twee maal penningmeester. In 1938 werd hij, welverdiend, tot erelied benoemd. Hij was ook afgevaardigde bij het Internationaal Uitgeverscongres. In 1933 was hij benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

Maar niet alleen was hij een vakverenigingsmens, ook op ander gebied voelde hij voor gezelligheid en samenwerking. Gedurende zijn leertijd in Deventer was hij reeds lid van een wielrijdersclub, toen het wielrijden nog pas uit de windselen kwam. In 1912 was hij voorzitter van de Amsterdamse Hockey- en Bandyclub (later de Koninklijke Nederlandse Hockeybond), waarvan hij als erelid is geëindigd. Voor de Olympische Spelen, die in 1928 te Amsterdam werden gehouden zat hij in het "Comité '28" speciaal voor de pers, waarvoor hem het Officierskruis van de Orde van Oranje-Nassau werd verleend. Van de Maatschappij "Het Nederlandse Sportpark" was hij president-commissaris, en last not least, erelid van het Nederlands Olympisch Comité.

Daarbij was hij een knap zakenman, een goed administrateur en financier. Een hart van goud, steeds bereid anderen met raad niet alleen, die in de regel goedkoop is, maar ook en vooral met daad bij te staan, en dat het liefst in stilte. Van eigen jubilea had hij een afkeer, hij stond niet graag in de publieke belangstelling. Op 2 Maart 1953 is hij op zijn wens in stilte op "Zorgvlied" te Amsterdam ter aarde besteld. Zijn naam zal met die van zijn hem voorgegane vrienden C. A. J. van Dishoeck, H. Nijgh, Paul en Wouter Nijhoff, Herman Tjeenk Willink, Jan Tadema, e.a. steeds met ere genoemd worden.

HENRI MAYER

Van Holkema bokaal
Deze beker werd op 28 januari 1932 ter gelegenheid van het 40-jarig jubileum van de AH&BC aangeboden door A. B. Tj. van Holkema.
Deze beker wordt uitgereikt aan een speler/speelster uit Dames of Heren I die er het afgelopen jaar het meest is uitgesprongen.

1892 Oldeboorn, notaris P. H. T. de Lange
Inv. nr. 109075 repertoirenrs. 10 en 13 d.d. 13 februari
1892
Provisionele en finale toewijzing
Betreft een huizinge met slagerij met erf en bleekveld te
Terhorne, koopsom fl. 410
- Aurelia van Holkema te Groningen, gehuwd met Adrianus
Catharinus Cornelius Folkertsma als verkoper en eerste
hypothecaire crediteur
- Sophia Catharina Kremer te Amsterdam, weduwe van Tjomme
van Holkema als verkoper, tevens als moeder van en voogd
over Arjen Buwalda, Alexander Frederik, Fanciscus en Tjomme
van Holkema
- Johannes Roelofs Coehoorn te Terhorne als verkoper
- Ane Jacobus de Vries te Terhorne als koper.
Arjen Buwalda van Holkema has reference number 356.
Last Edited11 October 2021

Wilhelmina Maria de Breuk

F, #357, b. 25 March 1879

Parents

Family: Arjen Buwalda van Holkema (b. 31 August 1873, d. 26 February 1953)

DaughterMaria Coletta Jacoba van Holkema (b. 10 August 1902)
DaughterCatharina Sophia van Holkema (b. 26 January 1904, d. 1958)
DaughterJohanna Jacoba van Holkema (b. 5 November 1908, d. before 2004)

Biography

Wilhelmina Maria de Breuk was born on 25 March 1879. Arjen Buwalda van Holkema and Wilhelmina Maria de Breuk were married on 19 September 1901 in Haarlem.
Wilhelmina Maria de Breuk has reference number 357.
Last Edited11 October 2021

Johannes Ratelband

M, #358

Family: Coletta

DaughterWilhelmina Maria de Breuk+ (b. 25 March 1879)

Biography

Johannes Ratelband has reference number 358.
Last Edited11 October 2021

Coletta

F, #359

Family: Johannes Ratelband

DaughterWilhelmina Maria de Breuk+ (b. 25 March 1879)

Biography

Coletta has reference number 359.
Last Edited11 October 2021

Maria Coletta Jacoba van Holkema

F, #360, b. 10 August 1902

Parents

FatherArjen Buwalda van Holkema (b. 31 August 1873, d. 26 February 1953)
MotherWilhelmina Maria de Breuk (b. 25 March 1879)

Biography

Maria Coletta Jacoba van Holkema was born on 10 August 1902. Ferdinand Cornelis Daniel Mari Rauwenhoff and Maria Coletta Jacoba van Holkema were married on 23 October 1923 in Amsterdam.
Maria Coletta Jacoba van Holkema has reference number 360.
Last Edited11 October 2021

Ferdinand Cornelis Daniel Mari Rauwenhoff

M, #361, b. 21 September 1896

Parents

FatherWillem Rauwenhoff (b. 7 January 1864)
MotherFerdinanda Cornelia Hinlopen

Biography

Ferdinand Cornelis Daniel Mari Rauwenhoff was born on 21 September 1896. He and Maria Coletta Jacoba van Holkema were married on 23 October 1923 in Amsterdam.
Ferdinand Cornelis Daniel Mari Rauwenhoff has reference number 361.
Last Edited11 October 2021

Willem Rauwenhoff

M, #362, b. 7 January 1864

Parents

FatherLodewijk Willem Ernst Rauwenhoff (b. 27 July 1828, d. 26 June 1889)
MotherFrancina Felicia Tobias

Family: Ferdinanda Cornelia Hinlopen

DaughterAnna Rauwenhoff (b. about 1891)
SonFerdinand Cornelis Daniel Mari Rauwenhoff (b. 21 September 1896)

Biography

Willem Rauwenhoff was born on 7 January 1864. He and Ferdinanda Cornelia Hinlopen were married in 1888.
Woonde te Laren (Noord Holland). Willem Rauwenhoff has reference number 362.
Last Edited11 October 2021

Ferdinanda Cornelia Hinlopen

F, #363

Parents

FatherFerdinand Cornelis Hinlopen (b. about 1803)
MotherDana Maria van Outhoorn (b. about 1804)

Family: Willem Rauwenhoff (b. 7 January 1864)

DaughterAnna Rauwenhoff (b. about 1891)
SonFerdinand Cornelis Daniel Mari Rauwenhoff (b. 21 September 1896)

Biography

Willem Rauwenhoff and Ferdinanda Cornelia Hinlopen were married in 1888.
Ferdinanda Cornelia Hinlopen has reference number 363.
Last Edited11 October 2021

Catharina Sophia van Holkema

F, #364, b. 26 January 1904, d. 1958

Parents

FatherArjen Buwalda van Holkema (b. 31 August 1873, d. 26 February 1953)
MotherWilhelmina Maria de Breuk (b. 25 March 1879)

Biography

Catharina Sophia van Holkema was born on 26 January 1904. Balthazar Heldring and Catharina Sophia van Holkema were married on 18 September 1928 in Amsterdam. Johannes Marinus Honig and Catharina Sophia van Holkema were married in 1951 in Amsterdam. She died in 1958 at age ~54.
Catharine Sophia van Holkema was in 1926 nederlands kampioen schermen. Catharina Sophia van Holkema has reference number 364.
Last Edited11 October 2021

Balthazar Heldring

M, #365, b. 31 August 1900

Parents

FatherAlexander Heldring (b. 25 May 1874, d. 21 September 1938)
MotherElisabeth Justine Jacqueline Anna Cramerus

Biography

Balthazar Heldring was born on 31 August 1900 in Hilversum. He and Catharina Sophia van Holkema were married on 18 September 1928 in Amsterdam.
Directeur der Korff's cacaofabrieken.
Amsterdam.
Balthazar Heldring has reference number 365.
Last Edited11 October 2021

Alexander Heldring

M, #366, b. 25 May 1874, d. 21 September 1938

Parents

FatherBalthazar Heldring (b. 17 March 1839)
MotherOlga Sophie Sillem (d. 18 December 1876)

Biography

Alexander Heldring was born on 25 May 1874 in Amsterdam. He and Elisabeth Justine Jacqueline Anna Cramerus were married on 31 October 1899. Alexander Heldring died on 21 September 1938 at age 64 in Amsterdam.
Heldring, Alexander , scheikundig ingenieur en dagbladuitgever (Amsterdam 25-5- 1874 - Amsterdam 21-9- 1938) . Zoon van Balthazar Heldring, bankier, en Olga Sophie Sillem. Gehuwd op 31-10-1899 met Elisabeth Justine Jacqueline Anna Cramerus. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Alexander Heldring - met als roepnaam 'Alex' (spreek uit: 'Alluks'), in huiselijke kring 'Alleki' en voor zijn studievrienden 'Alk' - is een loot van een gegoede familie uit de Réveilkring, die in de tweede helft van de 19e eeuw leidende posities verwierf in de financiële en economische wereld. Zijn vader was een begaafde bankier, die in 1880 in de directie van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) werd opgenomen en in 1900 president werd van deze onderneming. In tegenstelling tot zijn oudere broer Ernst, die het eveneens tot president van de NHM zou brengen, trad Alex niet in het voetspoor van zijn vader. Wel deelde hij met deze de gave van het woord.

Over zijn jongere broer schrijft Ernst in zijn Herinneringen (I, 32-33): 'Alex bezat grote gaven van geest en hart; hij was niet eerzuchtig, maar bereikte in eigen kring veel, niet alleen door zijn grote bekwaamheid en welsprekendheid, maar ook door zijn hoogstaand karakter'. Hij vermeldt ook dat Alex in zijn jonge jaren veel aan hoofdpijn leed en later, vanaf zijn studententijd, met hevige slapeloosheid had te kampen. Zijn vader spaarde hem echter geenszins: de opvoeding was streng.

Na de lagere school en de HBS met vijfjarige cursus aan de Keizersgracht te hebben doorlopen ging Heldring in 1892 naar de Polytechnische School in Delft om chemie te studeren. Hoewel hij het door zijn onafhankelijke geest in de studentengemeenschap niet altijd gemakkelijk had, was hij in 1895/1896 president van de senaat. Hij viel bovendien op als een redenaar van allure. Als voorvechter van de gelijkgerechtigheid van de studenten aan de Gemeente-instelling voor onderwijs in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië (Indische Instelling) bracht Heldring beroering in de gelederen van het Delftsch Studenten Corps, dat de gelijkstelling uiteindelijk toch afwees. Deze 'Indische Quaestie', die niet werd opgelost zoals Heldring had gewenst, moet hem psychisch sterk hebben aangegrepen.

Na in 1896 als scheikundig ingenieur te zijn afgestudeerd zette Heldring zijn studie nog enige tijd voort in Heidelberg, waarna hij in 1897 en 1898 een wereldreis ondernam. Zijn maatschappelijke loopbaan begon hij vervolgens bij de verffabriek Ripolin te Hilversum. Van 1906 tot 1912 was Heldring directiesecretaris bij Werkspoor in Amsterdam. In de daaropvolgende tien jaar was hij werkzaam als raadgevend ingenieur op het gebied van stikstof, ammoniak en rubber. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bouwde hij installaties op het gebied van stikstof en bracht hij enkele procédés op zijn naam. Zijn grote en veelzijdige belangstelling voor het economische leven bleek bovendien uit artikelen die hij publiceerde in het Tijdschrift van de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel , in De Groene Amsterdammer , de Haagsche Post en andere periodieken. Ook hield Heldring voordrachten over industriële, sociale en economische onderwerpen met een actueel karakter. Vanaf 1920 ging zijn aandacht vooral uit naar de bezuinigingspolitiek van de overheid.

Na het overlijden van directeur A.G. Boissevain van het Algemeen Handelsblad werd Heldring in 1922 benoemd tot gedelegeerd-commissaris en in oktober van hetzelfde jaar tot zijn opvolger. Het werk voor de krant, met technische, sociale, economische en ideële aspecten, moet Heldring bijzondere bevrediging hebben geschonken. Zijn deskundigheid en inzet hebben het Algemeen Handelsblad door perioden van crisis heen getrokken. Heldring maakte de onderneming financieel gezond en zorgde voor de verbetering van de technische outillage. Het honderdjarig bestaan van de krant werd in 1928 luisterrijk gevierd, en Heldring verstond de kunst er iedereen, ook de mensen van de werkvloer, volledig bij te betrekken. Bij gelegenheid van deze jubileumviering herstelde Heldring de kernspreuk 'Lux et Libertas', waarmee de krant in 1828 haar bestaan was begonnen. Hij wilde ermee uitdrukken dat een krant als het Algemeen Handelsblad geroepen was leiding te geven aan de lezers bij wie het weerklank kon vinden door de aan de mensheid toevertrouwde geestelijke en zedelijke waarden hoog te houden. De idealen van de Renaissance en van het Réveil wist Heldring in zijn persoon te verenigen. In het zondagsblad schreef hij met 'H.' ondertekende beschouwingen, die getuigen van zijn religieuze inspiratie, geloof in de jongeren en de innerlijke goedheid van de mensen. Als man van syntheses wilde hij tegenstellingen, ook van maatschappelijke aard, overbruggen.

In eigen huis heeft Heldring een ernstige conflictsitutatie niet kunnen of willen vermijden. Met het oog op de noodzaak drastisch te bezuinigen kreeg de redactie opdracht korter te schrijven; bovendien werd begin 1935 bepaald dat alle kopij, alvorens naar de zetterij te worden gestuurd, moest worden voorgelegd aan de hoofdredacteur èn aan de directeur. Deze was met de commissarissen van oordeel dat de in 1929 tot hoofdredacteur benoemde D.J. von Balluseck met zijn eigen lange beschouwingen niet het goede voorbeeld gaf en dat het effect van de maatregel onvoldoende was. De wijze waarop Von Balluseck de Nationaal-Socialistische Beweging bestreed, vervulde Heldring eveneens met zorg: de trouwe lezers zouden niet door onnodige scherpe commentaren van de krant vervreemd mogen raken, zo betoogde hij in de vergadering van de commissarissen van 28 februari 1935. Een jaar later bracht Heldring de parlementaire medewerker E. van Raalte enkele kritische opmerkingen ter kennis, die niet in goede aarde vielen. Van Raalte werd op grond van zijn schriftelijke reactie door Heldring ontslagen, zonder dat Von Balluseck kon ingrijpen. De verhouding tussen de beide hoofdfiguren van het Algemeen Handelsblad verslechterde daarna zozeer dat Von Balluseck met ingang van 1 januari 1938 ter zijde werd geschoven. Heldring zelf trad sindsdien als eerste hoofdredacteur op en liet de naam Von Balluseck uit de kop van de krant verdwijnen. Slechts één commissaris kon zich niet met de handelwijze van Heldring verenigen, maar dit mocht niet baten. Pas na het overlijden van Heldring zou Von Balluseck in zijn oude functie en rechten worden hersteld.

Bestuurlijk was Heldring actief voor enkele ambachtsscholen, het Veiligheidsmuseum, het Nederlandsch Persmuseum, de Vereeniging van Uitgevers van Dagbladen 'De Nederlandsche Dagbladpers', de Middelbare Technische School, de Avondschool voor Volwassenen en de Amsterdamsche Grafische School. Bovendien bekleedde Heldring verscheidene commissariaten, die hem een sterke band met het bedrijfsleven gaven. De Armenraad en de Hulp voor Onbehuisden konden ook van zijn financiële deskundigheid en sociale instelling profiteren. De kerstinzameling van de krant was zijn idee.

Na Heldrings overlijden verscheen in de avondeditie van het Algemeen Handelsblad van 23 september 1938 het indrukwekkende gedicht 'Afscheid' van redacteur Ed. Hoornik. Zich afvragend wat Heldring het laatst had gedaan voordat hij op 15 september 1938 het Handelsbladgebouw aan de Nieuwe Zijdsvoorburgwal had verlaten, dichtte Hoornik in de voorlaatste strofe: 'Hij heeft alleen maar naar de klok gekeken, / hij wachtte scherp op het bekende teeken: / precies op tijd zetten de persen aan...' De ochtendeditie van het Algemeen Handelsblad van 22 september 1938 bevatte een portret in brede rouwrand van de overleden directeur. Het aantal reacties in kranten en tijdschriften was indrukwekkend groot. De meeste terugblikken op het leven van Heldring hadden meer inhoud dan die van de obligate herdenkingsartikelen. Hieruit blijkt dat zijn tijdgenoten hem als een bijzondere persoonlijkheid wisten te waarderen.
Alexander Heldring has reference number 366. Alexander Heldring was a scheikundig ingenieur en dagbladuitgever.
Last Edited11 October 2021

Elisabeth Justine Jacqueline Anna Cramerus

F, #367

Family: Alexander Heldring (b. 25 May 1874, d. 21 September 1938)

SonBalthazar Heldring (b. 31 August 1900)

Biography

Alexander Heldring and Elisabeth Justine Jacqueline Anna Cramerus were married on 31 October 1899.
Elisabeth Justine Jacqueline Anna Cramerus has reference number 367.
Last Edited11 October 2021

Johanna Jacoba van Holkema

F, #368, b. 5 November 1908, d. before 2004

Parents

FatherArjen Buwalda van Holkema (b. 31 August 1873, d. 26 February 1953)
MotherWilhelmina Maria de Breuk (b. 25 March 1879)

Biography

Johanna Jacoba van Holkema was born on 5 November 1908 in Amsterdam. Jacobus (Jaap) Nienhuys and Johanna Jacoba van Holkema were married on 6 January 1931 in Amsterdam. She died before 2004.
Johanna Jacoba van Holkema has reference number 368.
Last Edited11 October 2021

Jacobus (Jaap) Nienhuys

M, #369, b. 21 February 1907, d. 20 May 2004

Parents

Biography

Jacobus (Jaap) Nienhuys was born on 21 February 1907. He and Johanna Jacoba van Holkema were married on 6 January 1931 in Amsterdam. Jacobus (Jaap) Nienhuys died on 20 May 2004 at age 97 in Heemstede.
Koopman. Jacobus (Jaap) Nienhuys has reference number 369.
Last Edited11 October 2021

Jan Willem Nienhuys

M, #370

Family: Alida Maria Versteegh

SonJacobus (Jaap) Nienhuys (b. 21 February 1907, d. 20 May 2004)

Biography

Jan Willem Nienhuys has reference number 370.
Last Edited11 October 2021

Alida Maria Versteegh

F, #371

Family: Jan Willem Nienhuys

SonJacobus (Jaap) Nienhuys (b. 21 February 1907, d. 20 May 2004)

Biography

Alida Maria Versteegh has reference number 371.
Last Edited11 October 2021

Alexander Frederik van Holkema

M, #372, b. 6 January 1875, d. 18 March 1943

Parents

FatherTjomme van Holkema (b. 9 December 1843, d. 4 January 1891)
MotherCatharina Sophia Kremer (b. 3 January 1843, d. 6 September 1909)

Biography

Alexander Frederik van Holkema was born on 6 January 1875 in Amsterdam. He died on 18 March 1943 at age 68 in Antwerpen.
Fabrikant te Anwerpen

1892 Oldeboorn, notaris P. H. T. de Lange
Inv. nr. 109075 repertoirenrs. 10 en 13 d.d. 13 februari
1892
Provisionele en finale toewijzing
Betreft een huizinge met slagerij met erf en bleekveld te
Terhorne, koopsom fl. 410
- Aurelia van Holkema te Groningen, gehuwd met Adrianus
Catharinus Cornelius Folkertsma als verkoper en eerste
hypothecaire crediteur
- Sophia Catharina Kremer te Amsterdam, weduwe van Tjomme
van Holkema als verkoper, tevens als moeder van en voogd
over Arjen Buwalda, Alexander Frederik, Fanciscus en Tjomme
van Holkema
- Johannes Roelofs Coehoorn te Terhorne als verkoper
- Ane Jacobus de Vries te Terhorne als koper.
Alexander Frederik van Holkema has reference number 372.
Last Edited11 October 2021

Clotilde Gregoire

F, #373, b. 14 October 1876, d. 14 January 1938

Biography

Clotilde Gregoire was born on 14 October 1876 in Brussel. She died on 14 January 1938 at age 61 in Antwerpen.
Clotilde Gregoire has reference number 373.
Last Edited11 October 2021

Franciscus van Holkema

M, #374, b. 26 November 1876, d. 30 June 1929

Parents

FatherTjomme van Holkema (b. 9 December 1843, d. 4 January 1891)
MotherCatharina Sophia Kremer (b. 3 January 1843, d. 6 September 1909)

Biography

Franciscus van Holkema was born on 26 November 1876 in Amsterdam. He died on 30 June 1929 at age 52 in Ermelo.
1892 Oldeboorn, notaris P. H. T. de Lange
Inv. nr. 109075 repertoirenrs. 10 en 13 d.d. 13 februari
1892
Provisionele en finale toewijzing
Betreft een huizinge met slagerij met erf en bleekveld te
Terhorne, koopsom fl. 410
- Aurelia van Holkema te Groningen, gehuwd met Adrianus
Catharinus Cornelius Folkertsma als verkoper en eerste
hypothecaire crediteur
- Sophia Catharina Kremer te Amsterdam, weduwe van Tjomme
van Holkema als verkoper, tevens als moeder van en voogd
over Arjen Buwalda, Alexander Frederik, Fanciscus en Tjomme
van Holkema
- Johannes Roelofs Coehoorn te Terhorne als verkoper
- Ane Jacobus de Vries te Terhorne als koper.
Franciscus van Holkema has reference number 374.
Last Edited11 October 2021

Tjomme van Holkema

M, #375, b. 22 December 1882

Parents

FatherTjomme van Holkema (b. 9 December 1843, d. 4 January 1891)
MotherCatharina Sophia Kremer (b. 3 January 1843, d. 6 September 1909)

Biography

Tjomme van Holkema was born on 22 December 1882 in Amsterdam. He and Martha Bassus were married on 29 April 1919.
Directeur van NV Amsterdams Bankierskantoor Mendes Gans & Co.
Is in 1910 op 27 jarige leeftijd in de USA geweest.
Tjomme van Holkema has reference number 375.
Last Edited11 October 2021