Holkema Family Tree

Doe't pake nog feint wie......

Person Page 288

Agge Harings van Harinxma thoe Heech

M, #7176, b. about 1360, d. 1422

Parents

FatherHaring Donia (b. about 1323, d. 1398)
MotherJelck (b. 1327)

Family: Hisck Riencksdr. Bockema

SonHepke Bocke Buinsma+
DaughterHylck Aggesdr. Harinxma+ (b. about 1400)
SonBocke Agges Harinxma+ (b. 1403, d. 1468)

Biography

Agge Harings van Harinxma thoe Heech was born about 1360. He and Hisck Riencksdr. Bockema were married in 1402 in Sneek. Agge Harings van Harinxma thoe Heech died in 1422 in Sneek.
Fragment gevolgd door vertaling) uit :
Wörterbuch der älteren deutschen (westgermanischen) Rechtssprache; Forschungsstelle der Heidelberger Akademie der Wissenschaften

M° cccc° lviij doe worder open strijd als twiscken Epa Kee ende Haring Doynga, twiscka Waltija Harincxma toe Sloet ende Aggo Doijnga, ende twiscka Renick Doytia zoenen ende Focka Eesches toe Ackerum.
lviij doe worder open strijd als twiscken Epa Kee ende Haring Doynga, twiscka Waltija Harincxma toe Sloet ende Aggo Doijnga, ende twiscka Renick Doytia zoenen ende Focka Eesches toe Ackerum.
M° cccc° lviij doe wordt Silka Mynnama slaghen ende des anderen daghes daernae doe wordt Sloten barnd ende Ayza Tibbama ward slayn ende vief vi mannen mit hem, ende die Woudtmannen worden veriaecht, ende Agga Doynga ruymde zijn slot bij nacht mit Jancka Douwama, ende Waltija Harincxma bleef jnt besith van tslot ende die buren mit Waltijen voerscreuen.
M° cccc° lviij doe wordt Haring Doynga op Nijlandt zijn stijns wonnen ende omworpen van Douwa Sijarda ende Boelswerdera ende Haringh Woudens stijns wordt omworpen.
M° cccc° lix doe creegh Aggo Doynga Jouka Ghelama stijns mit Janka help.
M° cccc° lix Doe creegh Haring Doynga Hipka huus toe Smalebreg.
M° cccc° lix des daghes nae Johannis Decollatio wordt Hessel Eda zoen slaghen tho Yrensem, ende des seluis auent wordt Doynga huus barnd ende Benedictus stijns wordt vastiert.
M° cccc° lxj Doe bisette Butta dat stijns toe Yrensem ende maecte die graft omt stijns.
M° cccc° lxj Doe toech dat mene land toe Acomerijp voer Jouka Ghelama stijns ende en bedreuen nyet ende Renick Kampstra vvordt schoten voert stijns, daer hij an starff, ende ij houelingen, die eene van Herlingen, die ander van Arem, die daer doot bleuen ende xiij ofte xiiij huusluden mit hemmen, als men seyden, of meer.
M° cccc° lxij voer palm wordt slagen Tzalingh Tzijtijama, ende luttick bet voert doe sterff Schelta Yaiema van dat selue fechtelick, daer Tzalingh hem dede met zijn helperen.
M° cccc° lxij nae Egidy doe creegh Haringh Doynga Hiddama stijns ende daer wert freed.

In het jaar 1458 brak een openlijke strijd uit, namelijk tussen Epe Kee(Hottinga) en Haring Donia, tussen Waltija Harinxma en thoe Sloene en Agge Donia en tussen de zonen van Rienk Doitia (Albada) en Fokke Eeskes in Akkrum.
In 1458 werd Silke Minnema verslagen, en de volgende dag werd Sloten platgebrand, en Ayza Tibbama en vijf of zes mannen met hem werden verslagen, en de woudmensen werden verjaagden Agge Donia verliet in de nacht zijn slot met Jancke Douwama en Waltija Harinxma en de gemeenschap van Sloten bleven in het bezit van het slot.
In 1458 werd de stins van Haringh Donia te Nijland op Douwe Sjaarda en de Bolswarders heroverd en geslecht, en de stins van Haring te Wons werd ook neergehaald.
In 1459 veroverde Agge Donia met hulp van Jancke Douwama de stins van Jouke Galama.
In 1459 veroverde Haring Donia de stins van Hepke te Smallebrugge.
In 1459 werd Hessel Edes na het feest ter gedachtenis van de onthoofding van Johannes de Doper te Irnsum verslagen en op dezelfde avond werd Dioniahuis (te Oosterend) afgebrand en de stins van Benedictus Donia (te Heeg) werd verwoest.
In 1461 bezette Boiote Eeskes de stins van Watse Minnema te Irnsum en legde een ringgracht om de stins aan.
In 1461 trok de gehele bevolking van Oostergo en Westergo naar de stins van Jouke Galama en richtte niets uit, en Rienk Kamstra werd door een schot verwond, en hij stierf, en twee hoofdlieden, een van Harlingen en de ander van Arum, vonden daar de dood, en naar men zegt, ook twaalf of dertien huislieden met hen.
In 1462 werd Tzalingh Tzijtijama voor palmzondag te Marum verslagen, en korte tijd daarna stierf Schelte Jayema aan de gevolgen van voornoemd gevecht, dat Tzalingh en zijn helpers met hem begonnen waren.
In 1462 veroverde Haring Donia na Egidiusdag de stins van Haring Hiddema (te Nijland) en er kwam vrede

Hoveling en olderman te Sneek. Ook wel Aggha Haerdhsma genoemd (Als schoonvader ridder Rienck Bockema in 1410 intreedt in het door hemzelf gestichte klooster Thabor in ThirnsTekent hij in 1419 en 1422 als volmacht van de schieringers en is dan Heerschap van Sneek . Overleden aan de pest, begraven in Thabor in de kerk onder het hoogaltaar in het koor}.
Agge Harings van Harinxma thoe Heech has reference number 7255.
Last Edited11 October 2021

Syrckx van Harinxma thoe Heech

M, #7177, b. about 1374

Parents

FatherHaring Donia (b. about 1323, d. 1398)
MotherJelck (b. 1327)

Biography

Syrckx van Harinxma thoe Heech was born about 1374.
Hij was bewoner van het Doniahus in Oosterend.

DE DONIA-OORLOG.

PETRUS VAN THABOR , die tusschen 1460 en 1530 leefde,

en het grootste gedeelte zijns levens als leekebroeder in het

klooster Thabor, te Tirns bij Sneeli gesleten heeft, schreef

eene uitvoerige kronijk van Friesland, in den vorm van een

dagboek om de gebeurtenissen, die vooral in zijnen tijd voor

vielen, zonder de bij andere kronijkschrijvers meermalen gebruikelijke

opsieringen en wondervolle verhalen, met naauwkeurigheid

mede te deelen. Onder de belangrijkste der door

hem te boek gestelde geschiedverhalen, mag men rekenen

zijne berigten omtrent den Donia-oorlog, die een belangwekkend

en merkwaardig tafereel oplevert van die heillooze

familietwistea, die in vroegere eeuwen zoo menigmalen den

vaderlandschen bodem teisterden, en den algemeenen bloei

van denzelven belemmerden. — De Heeren H. W. C. A. VISSER

en H. AMERSFOORDI hebben in het Archief voor Vaderlandsche

en inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheiden

Taalkunde, de uitgave bevorderd van deze Historie van

Vriesland door PEÏEU JACOBSZ. VAN THABOR , of PETRUS

THABOBITA, en die met vele aanteekeningen voorzien. Ook

hunne bijzondere aandacht schijnt de Donia-oorlog te hebben

opgewekt, blijkens de uitvoerigheid waarmede zij de daaraan

in den tekst gewijde bladzijden hebben toegelicht. — De

Heer Mr. A. VAN HAWIAEL, J R . , blakende van ijver voor

alles wat de Friesche geschiedenis aangaat, deelde in eenige

nummers der Leeuwarder Courant zijne aanmerkingen omtrent

het in het Archief aangeteekende mede, welke door

den Heer AMEKSFOOUDT werden beantwoord, waarop nog een

kort woord van den Heer VAN HALMAEL volgde (*). — In

de uitgave van ït aade Friesche Terp, of Kronijk der Geschiedenissen

van de Vrije Friesen ; met bijvoegsels en aanteekeningen

van den Heer J. VAN LEEUWEN , thans Griffier

bij het Provinciaal Geregtshof van Friesland, vonden wij

den wensch ontboezemd , dat deze stukken in eenen duurzamer

vorm mogten worden overgegoten (†). Tot nu toe is

die wensch niet vervuld, en wij wagen het in de volgende

bladzijden daarvan eene proeve mede te deeïen, waarin wij

na vergelijking van de gevoelens der verschillende geschiedkundigen

, hetgene ons waar voorkwam kortelijk hebben opgeteekend.

Eene aîgebeeie oordeelkundige vergelijking en

ontleding van alle verschillende meeningen omtrent alle kleine

bijzonderheden zoude verre buiten het bestek van dit jaarboekje

gaan.

Tot regt begrip van den Donia-oorlog, die door PETRUS

VAN THABOR op eene eenvoudige, natuurlijke en omstandige

(*) Zie do Leeuwarder Couranten Tan 14 en 21 Junij 1831 ; 3 , 10 on 17 April en 1

Mei 1832.

(†) R áaile Friesche Terp. Aantekening op 1>!. tUS. - Pag. 441.

wijze wordt beschreven, dient men zich vooraf eenigzins

nader bekend te maken met het geslacht der twistende partijen

, de HARINGSMA'S en DONIA'S. In dezen bestaat tusschen

de opvattingen van bovengenoemde schrijvers eenig geschil,

en wij gelooven dat, na onderzoek hunner bedenkingen,

getoetst aan de aangehaalde bronnen de volgende schets van

dat geslacht, voor zoo verre het in dezen belangrijk is, kan

worden gegeven. — Het geslacht Dosu spruit voort uit dat

van HARINGSMA. HARING HABINGSMA van Heeg, die in 1404,

nevens SJOERD WIARBA, potestaat van Friesland was, had

vijf zonen en eene dochter, met name: ÂGGE , SIERK of

TJERK , EPE , HOTZE , DODWE en IEMKJE. — Be tweede zoon

SIEKK of TJERK, van wien bet geslacht der DONIA'S oorspronkelijk

is, en met wiens afstammelingen wij voornamelijk

te doen hebben, had negen, of volgens FERWERDA tien kinderen

en wel zeven zoons en drie dochters, in deze orde:

HARING, RIENCK, ÁGGE, BENEDICTUS, HOTZE , KEIMPE , SIERK

of TJERK, AUCK, gehuwd aan zekeren MIJRK of MERK, als

een zwager van HARING DONIA in de geschiedenis bekend,

ATH of AEL, waarschijnlijk gehuwd aan zekeren N. ROORDJ ,

en BAÜCK , gehuwd met BOTTO ESCHES of EESKES , door "WORP

VAN THABOR DOIJNGHA zwager genoemd. — De vijfde zoon

van HARING HARINGSMA, den potestaat, had eene dochter

LISCK, gehuwd aan ONNO JÜWSMA, en eene die de vrouw

was van JANCKO DODWAMA, van Langweer. — Sommige van

de hier genoemde personen komen voornamelijk op het tooneel

van den Donia-oorlog voor.

AGGE en HARING zijn de twee onrustigste en woeligste personen

die in dezen tijd voorkomen, en met hen zullen wij

ons inzonderheid hebben op te houden, hij de beschrijving

der geschillen, die wij thans wilden behandelen. PETRUS

VAN ÏHABOR vermeldt onderscheidene veten, tussehen verschillende

leden der familie, en stelt het begin van den

Donia-oorlog te Sloten in het jaar 1458. — AGGO ontmoet

men echter reeds in 1453 in de geschiedenis. In dit jaar

namelijk doodde hij binnen de stad Sloten zekeren HERO

BENNERTSMA (BINNERTSMA of RMNERTSMA) ter wrake van den

vroeger door dezen omgebragten WIJBO HERES GEKKAMA

In hetzelfde jaar was op den landdag Ie Bolsward DOUWE

GERBRANDA , gevolmagtigde van Westcrgoo , op aanzetting van

JARICH HOTTINGA, afgemaakt door JOHAN ROORDA, en deze

misdaad werd door JARICH TOT WOLDSEYJMDT. en BONNE

BONNISGA op zijnen bloedverwant SCHELTE ROORDA gewroken,

"wiens vermoording de kerk te Harlingen, waar dezelve plaats

had, ontreinigde, zoodat die twee jaren later op nieuw door

Bisschop RUDOLF van Utrecht gewijd en gereinigd werd.

Deze JARICH TOT WOLDSEYND (volgens WINSEMIUS) bij PETRUS

VAN THABOR ook HARING VAN WOLDENS genaamd zal waarschijnlijk

wel dezelfde persoon zijn als HARING DONIA , die

bij den laatsten wat later, naar zijne stins te Woudsend ,

HARING WOUDENS genaamd wordt. — Altoos zoude daardoor

de eerste oorsprong van de vete tussehen de DONIA'S en HOTTINGA'S

op eene aannemelijke wijze verklaard worden, waarvan

straks nader (*). — Wij zien AGGO HARINGSMA Ie Sloten

door eene onbegrensde hcerschzucht bezield, en vinden eene

voorname aanleiding tot den krijg in de jaloerschheid, waarmede

hij de magt beschouwde van zijnen neef WATZE HAÏUNGSMA,

toenmaals heerschap van Sloten en aldaar het hoogste

O De Heeren YAN AÎHERSFOORDT en VAN HALMAEL stemmen in dit punt overeen, en

fauaoe opvatting ^ordt door «iets besta-den.

gezag bekleedende. Deze WATZB was een zoon van BOCKO ,

wiens vader AGGO de oudere , een broeder was van SIEKK ,

de vader van AGGO HAIUNGSMA, over wien wij hier spreken. Om

zich te wreken op dien neef WATZE, wiens magt hij niet

konde dulden, en om tevens zijne eigene heerschappij te

grondvesten, verliet AGGO de partij der Sehieringers, die

hij anders was toegedaan en ging over tot de Vetkoopers,

bij welken hij aan de Woudlieden , of bewoners der zoogezegde

Wouden talrijke medestanders, en in JANCKO DOUWAMA,

Heerschap te Langweer, met wien hij , gelijk wij boven zagen

, vermaagschapt was, een uitmuntend mede aanvoerder

vond. Zij trokken naar Sloten, belegerden WATZE op zijn

huis , en staken een gedeelte der stad in brand; doch WATZE's

vader, BOKKO HARINGSMA , die heerschap te Sneek was,

snelde hem ijlings ter hulpe, bestreed de Vetkoopers krachtdadig

en noodzaakte hen, nadafc de edellieden SOLKO MEIJNAMA

en AIJSSO TJEBBAMA , van die waren partij gesneuveld, de

wijk te nemen naar het huis van AGGO. Dezen en zijnen vriend

JANCKO DOUWAMA gelukte het, gedurende den nacht, heimelijk

deze woning te verlaten en den vijand te ontkomen , die

op den volgenden dag aldra de stins veroverde, welke WATZE,

zoo als PETRUS VAN THABOR zegt nog in het jaar 1464 bezat.

— Andere schrijvers vermelden tevens dat hij nimmer

dit huis terug bekwam, maar later, nadat hij wederom van

partij was verwisseld , zich met eene geringe schadevergoeding

in geld moest vergenoegen , die hem door BOCKO HAKINGSMA

werd uitbetaald (*). Dit geschiedde in 1458.

O WINSEMIUS, Chronijck van Friesland , bladz. 286î>. SCHOTÁNÜS , Geschiedenissen

van Friesland , bladz. 330a. ÜBBO EMMIUS . lier- Fris. Hut, hl. 302 OCKO SCFURLENSJS

, Ctironïjk van Freisland , bl. 201 enz.

Wij vinden bij PETRUS VAN THABOR vooris vermeld een

twist tusschen HARING DONIA , broeder van AGGO, en EPO KEE

HOTTINQA , die op eene stins te Nieuwland 'm Wtymbritseradeel

woonde. Deze EPO KEE , was de vader van JARICH HOTTINGA

, voormeld. HARING DONIA , die waarschijnlijk vroeger

eenigen tijd te Sloten gewoond had, vestigde zich op 't dorp

Nieuwland, in de nabijheid van HOTTINGA- of HETTiNGA-stins,

door EPO KEE bewoond en trachtte reeds in hetzelfde jaar

1438 diens huis te bemagligen , welke aanslag evenwel mislukte

, en zoo was dan AGGO tegen WATZE , en HARING tegen

EPO KEE in openbare strijd.

PETRUS VAN THABOR vermeldt nog een open oerloech, waarbij

het geslacht DONIA van ter zijde betrokken was, namelijk

tusschen RENICK of RIENK DOIJTSES en FOCKA of FOCKO

EESCHES of EESEES , in welken de woudman de zijze van

FOCKO en JANCEO DOUWAMA die van RIENK koos. Deze FOCKO

EESKES is waarschijnlijk de grootvader aan moeders zijde

geweest van ÏANCKO , dewelke, hoezeer te Oldeboorn in het

kwartier der Vetkoopers wonende, om bijzondere redenen de

partij der Schieringers was toegedaan. Hij had voornamelijk

twist met eenen Schieringer RIENK DOIJTSES ALBADA , over het

bezit van het huis Metskenwier by AMrum, en dit geschil,

gepaard met het huwelijk van RIENKS zuster TIET VAN ALBADA

met AGGO DONIA, noopte hem om af te vallen van de

partij der Schieringers, om het nu met de Vetkoopers te

houden.

In den beginne viel de strijd voor de DONIA'S alles behalve

gelukkig uit; AGGO was uit Sloten verjaagd, zijne huizinge

hem ontweldigd en zijn gezag , voor het oogenblik , vernietigd

. en HARING vond te Nieuwland niet alleen in EPO KEE ,

maar ook in DOUWE SJAARDEMA , vader van SWOB , welke met

EPO KEB'S zoon JARICH gehuwd was, hardnekkige vijanden.

DOÜWE SJAARDEMA dan en GOSLIK JONGAMA of JÜWINGA ,

heerschap van Bolsieard trokken tegen het huis van HARING

DONIA te Nieuwland op, vielen' liet door velen van Boîsward

ondersteund, aan en hebbon hetzelve volgens PJSTKÜS VAN

THABOS omgeworpen, waarmede ook UBBO EMMIDS instemt,

terwjjl anderen verklaren dat zij er een sterk garnizoen van

hunne partij ter versterking op lieten , nadat h«t gedeeltelijk

uitgeplunderd was en wel, omdat zij van JANKO DOUWAMA

en de woudlieden zeer geplaagd werden (*). — Deze overmeestering

van HARING DoNiA-stins had plaats op den 13

Jülij 1458. De vonk der oneenigfteid in het westen ontstoken

breidde zich alras oostwaarts uit en het geslacht der

DONIA'S zag zich als nu in verschillende oorlogen gewikkeld ,

die een treurig tafereel ophangen van den ellendigen toestand

des lands in die dagen, en waarvan OCKO SCARLEINSIS te regie

zegt: » dat uit die Duijvelsche partij en oorlog , veel roverij,

moord, doodslaginge, en blocdstorlmge kwam."

JANCKO DODWAMA bleef zijnen bondvriend ÂGGQ DONIA , die

van zijn huis te Sloten beroofd was , getrouw, en behandelde

hem met groote vriendschap. »He- had synre compassie

, en dede so voeie, dat hem gedaen worde een

Edelmans woninge" zegt het Boek der Partijen van JANCKO

DOUWAMA, zijn naamgenoot, en WOUP en PETRUS VAN THABOB.

vermelden uitdrukkelijk dat dit eene stins was van JODKE

GALAMA, staande te Altmarijp, in de Grietenij Utingeradeel.

(*) Zie SCUOTAKOS, pag. 330a; WlBSMUUf , H. S686 ; OOKO SURLEXSiS, M. 20C Cl:

De uitgevers van het Archief houden het er voor dat AGGE,

uit eigen beweging , en om zich vergoeding te verschaffen

voor het verlies van zijne stins te Sloten, de JODKE GALAMA

stins heeft belegerd en veroverd, maar uit de aangehaalde

schrijvers komt het ons, met den Heer v. HALMAEL voor

dat door bemiddeling van JANCKO DOÜWAMA deze plaats hem

ter bewoning is ingeruimd. Anders schijnt het geweest te

zijn met HARING DONIA, die, van Nieuwland verdreven,

tijdens AGGO de vermelde stins ter bewoning bekwam, zich

met geweld meester maakte van het huis van zekeren EPKO ,

te Smallebrug, in de grietenij Wijmbritseradeel , hetwelk

hij vooral met vreemde legerkneehten bezette, en waaruit

hij zijnan vijanden groote schade wist aan te doen. De beide

gebroeders AGGO en HARING te ÄTemarijp en Smallebrug,

versterkten allengskens hunne woningen, vermeerderden hunne

bezetting, deden herhaalde uitvallen, die meer van roof en

plondering, dan van gevechten hadden in eerlijken en openen

strijd, en maakten het zoo erg, dat weldra op eenen

gemeenen landsdag besloten werd AGGE op zijne stins te

belegeren. SCHWARTSENBERG vermeldt in zijn Charterboek

een verbond, aangegaan tusschen Oostergoo en Westergoo

voor den tijd van drie jaren, dat waarschijnlijk op dezen

landsdag gesloten is en waarvan welligt de belegering der

stins te Altmarijp het gevolg is geweest. Dat wij hier alleen

van Oostergoo en Westergoo melding gemaakt vinden, komt

van daar, dat in de oudste tijden de Zevenwouden regtens

geen ligchaam of gedeelte van het Staatsligchaam op zichzelve

uitmaakten, en in staatsstukken niet bijzonder genoemd

worden, maar begrepen waren onder den naam van Oostcren

Westergoo; hetgeen schijnt geduurd te hebben tot tegen

den tijd der Saksische regering, gelijk de Heer v. H. iit

zijne nota 30 uit JANCKO BOUWAMA'S Boek der Partijen aantoont.

Uitdrukkelijk vindt men bij hem vermeld dat JANCKO

en de "Woudlieden bij dit beleg niet tegenwoordig waren.

Het beleg werd dan voor de stins te Ahnarijj} geslagen

en HARING, die toen reeds weder van woning beroofd was,

toog met zijne vreemde krijgsknechten derwaarts om zijnen

broeder bij te staan. Door de hulp van deze droesen , zoo

als PETRUS V, THABOR ze noemt, was het voornamelijk dat

de stins behouden bleef, want ze waren met bussen gewapend,

terwijl natuurlijker wijze in Friesland, waar tot dus

verre het schietgeweer onbekend was gebleven, deze nieuwe,

wisse, en vreesselijke wijze van oorlogvoeren, op de belegeraars

eenen allerverderfelijksten invloed hebben moest.

Het gevolg was dan ook dat RIENK KAMSTBA , SJOERD AYLVA

en twee neven van SJAARDEMA door het vuur der belegerden

sneuvelden, en dat men weldra genoodzaakt was dit beleg

op te breken, waardoor het gezag van AGGO DONIA bevestigd

en versterkt, en hij in den ganschen omtrek ontzien

en gevreesd werd. — Intusschen had HARING , gelijk wij zeiden ,

in 1459 EpKA-stins te Smallebrugge overmeesterd, maar om

zich daarover te wreeken, hadden SJAARDEMA en de zijnen,

reeds in datzelfde jaar HAiiiNGS-stins te Woudens — overmeesterd

en vernield. — Het is niet stellig te bepalen of

wij onder dit Woudens, Woudsend in Wijrribritseradeel of

Wons, in Wonscradeel hebben te verstaan , hoewel ik met

het Archief wel kan overhellen tot de meening dat het

Woudsend is, omdat men ook elders leest van JARICH VAN

WOLDENS, die tevens JARIGH van Woudsend wordt genaamd; —

Terwijl nu uit haat tegen de gebroeders DONIA . de stins

van HARING} aldaar werd vcrmeestcrd, overrompelde men ook

die van zij non broeder BENEDICTDS te Heeg, mede in Wijmbritseradeel,

en die van zijn broeder SIERE of ÏJERK te

Oostereinàe in Hennaarderadeel (DoYN«HA-stins genaamd) en

nam zeifs den laatsten gevangen , hetgeen de DONIA'S grooten

afbrcok dreigde te doen.

Zoodra das van den kant der vijanden aan HARING den

voorslag gedaan werd, om zijns broeders vrijheid te koopen,

door teruggave van EpKO-stins, werd daartoe door hem

volgaarne besloten, en de woning waarin SJAARDAMA zooveel

bslang bleek te stellen, aan hem en de zijnen overgelaten,

en op dit tijdstip was het dat het beleg van Akmarijp begon

en HARING , na een zeer kortstondig bezit van EPKOstins,

weder zonder dak, zich met de zijnen naar ÂGGO

begaf en hem in de verdediging zijner goederen behulpzaam

was. In het jaar 1461 was de toestand der DONIA'S gunstiger,

want niet alleen werd het beleg door AGGO afgeslagen,

maar de zwagers der DONIAAS , BOTTE EESCHES , maakte

zich meester van de stins van WATSO MENNEMA , te Eernsum

in Rauiverderhem, » ende beslotet ende bebolwercktet sterekelic

en woende aldaer" zegt PETRUS VAN ÏHABOR, er bijvoegende

dat » DOYNGA net hoer swagers in dat selve jaer groet

hoechmoet drewen," — hetwelk in het volgende jaar niet

minder werd door de overmeestering van HiDDiüsiA-stins op

Nieuwland, die HARING weder in zijne magt kreeg, ommuurde

en versterkte en er zijnen vasten zetel vestigde-

Hier den wij nu het geslacht der DONIA'S op den hoogsten

top van magt en eer en aanzien geklommen, de voorvaderlijke

of later aan anderen ontweldigdc vesten waren weder

in hun bezit gekomen , herhaalde overwinningen hadden

hunne grooto magt doen kennen en het ontzag voor hunne

wapenen doen klimmen; sommige gevreesde vijanden waren

in den strijd gevallen , anderen van hunne minderheid door

daden overtuigd, en de schrik voor de roofzucht ea het

geweld der overmagtigc heeren heinde en verre verbreid;

maar ongelukkig moeten wij er bijvoegen, dat het ook het

keerpunt was hunner grootheid en van hunnen voorspoed,

en dat van dit tijdstip af tot aan hunnen geheelen val toe,

slechts weinige jaren verloopen zijn.

Doch thans waren zij nog in den staat, die onze- PETRUS

schildert in de eenvoudige vermelding dat »de DOSTNQA'S

»toen moediger werden , dan zij ooit te voren waren, en

» de koeijen van Bolsward en Boscwm en overal weghaalden

»en de menschen gevangen namen zonder wederstand , en

»dat al de Sevenwolden angst hadden van DOYNGA." Deze

toenemende magt van de DONU'S en de herstelling in het

bezit hunner vroegere staten en stinsen schijnt bij beide partijen

aanleiding en lust gegeven te hebben, tot verzoening

en bijlegging der bestaande twisten. Altoos lezen wij dat

reeds in 1462 HAMNG , die HiDDEMA-stins te Nieuwlanâ

weder bewoonde, zich verzoende met EPO KEE en met

DOÜWE SJAARDAMA , terwijl PETRUS V. THABOR er bijvoegt

dat hij ook soende met de stad van Bolsward. Hier vinden

wij wel de Bolswarders, maar niet GOSLIK JONGAMA , die

toen ter tijd aldaar heerschap was, opgenoemd, als den zoen

sluitende; UBBO EMÏÆIÜS en WORP V. THABOÄ noemen hem

uitdrukkelijk, maar Ocso SCABLENSIS gaat nog verder dan

onze schrijver en zegt uitdrukkelijk, dat de oorlog verzoend

werd tusschen Epo KEE en dezen HARING DONIA , en ook

"ars Bolsward DOÜWE SJAARDA. Maar GOSLYK JONOAMA ,

voegt hij er bij, bleef buiten dezen zoen, en TJERK mede,

want zij wouden niet geven. Het verschil alhier bestaande

tusschen de uitgevers van het Archief, die JOJSGEMA in den

zoen wilden betrekken, en den heer v. HALMAEL, die hem er

buiten wil houden, moet dunkt ons in den laatsten zin beslist

worden , als wij namelijk de uitdrukkelijke vermelding van

UBBO EMMIÜS , tegen de stellige uitsluiting van OCKO SCARLENSIS

overstellende, nagaan , hoe GOSLIK JONGAMA , voor

zijnen tijd een der dapperste en edelsten was, en hoe daarmede

strijden zoude , de overweldiging van HARING HIDDEMAstins,

die wij later nogmaals zullen vermeld zien, en die

hij dan, zoo hij met hem verzoend was, verraderlijk zou

hebben bedreven. Hoe dit zijn moge, de zoen werd gesloten

tusschen de meeste vijandelijke partijen en er was een tijd

van vrede en rust.

Maar gelijk wij dit in de geschiedenis van alle onze Nedcrlandsche

gewesten kunnen opmerken , dat twisten tusschen

verschillende geslachten , zoo lang beide bestonden , slechts

zeldzaam en voor korten tijd slapende bleven, vinden wij het

ook in deze familie onlusten weder bevestigd. Thans veranderde

HASING van partij en sloot zich weder aan de Schieringers

aan, welk voorbeeld weldra door zijne broederen

schijnt gevolgd te zijn ; en waardoor zij JANCKO DODWAMA

van hunnen vriend tot hunnen vijand maakten , een der

eerste bronnen van hunnen ondergang. Wij hebben gezien

dat AGGO DONIA , na zijne verjaging uit Sloten , de stins van

de GALAMA'S te Âkmarijp), in bezit kreeg, waar hij nog woonachtig

was. De vetkooper GALE GALAMA , wien dit geweldig

in den krop stak en die uit den zoen tusschen HARING

en EPO KEE cene steeds vermeerderende magt der DONIAS

vreesde , trok vergezeld van zijn zo on IGO ten strijde legen

dit bij hem gehaat geslacht. KEIMPE DONIA, volgens onze

geslachtlijst de zesde zoon van TJEEK , de oudere, die te

Hcmelum gezeten was s werd door hun in een gevecht gedood ,

SIERK of TJEKK de zevende zoon , mede te Hcmelum , werd

overvallen en gevangen genomen. PETRUS V. THABOR vermeldt

deze gevangenneming op den 5 September en den

dood van KEISIPE op St. Antonydag , van 1463 , zoodat dan

de eerste veel later zou hebben plaats gehad, dan KEIMPES

sneuvelen. Maar wanneer men in aanmerking neemt dat

deze daad der GALAMA'S den DONIAS de eerste aanleiding gaf

tot don oorlog tegen JANCKO DOUWAJMA , en dat deszelfs geschiedschrijver

vermeldt dat HAKING reeds na Paschen de

stins van JANCKO te Irnsum overwon , komt het waarschijnlijk

voor dat men met SCHOTANDS de gevangenneming van

SIERK moet stellen op 16 Januari] , kunnende dan, daar

uit dit boek der partijen en uit oude getyboeken is op te

maken dat ST. ANTONu's-avond in Januarij en wel op

den 17e invalt, de dood van KRIMPE een dag na de gevangenneming

zijns broeders hebben plaats gehad, hetgeen te meer

waarschijnlijk is, omdat beiden te Hcmelwn waren gevestigd.

JANCKO DOÜWASIA , die buitendien niet over do dankbaarheid

van den rusteloozen ÀGGO DONIA te klagen had ,

schijnt in dezen strijd de GALAMA'S behulpzaam te zijn geweest,

uit wrake waarover HARING in 1463 de stins VAN

JANCKO te Eernsum belegerde , verwoestte, JANCKO zelven

verdreef en bijna gevangen had genomen. Voor dat oogenblik

waren de twee gebroeders DONIA nog meer gevreesd

dan vroeger, zoo in Oostergoo als in Wesiergoo en Sevenwolde,

»ende ten was niet te sien dat yemand solde tegen hær

«settcn dorren, — Doe branden sy , ende roueden io Ac-

»kruin, toe BORN (Oldehoorn) ende toe Wommels, ende

»deden vele luden groten onwiile."

Maar thans was de maat vol , ook hier moest hoogmoed

voor deo val komen , en overmoed geschaft worden. JANCKO

Douw AHA , wiens herhaalde vertoogen op AGGO geen den

minsten invloed uitoefenden, ea wiens onderhoorigen geweldig

van diens rooverijen hadden te lijden, verbond zich met

GAI.E GALAMA en zijn bloedverwant TJEPRO OBNEBIA ,

ÏJEPKO VAN DER CAPEIXE , die op het huis ter Caple woonde,

om hem te A limarijp, op GALAMA-stins te belegeren , van

•welk beleg •wij de uitvoerigste beschrijving vinden medegedeeld

in het boek der Partijen van JANCKO DOÜWAMA van

Oldéboorn. — De aanval was stout en krachtvol , de verdediging

hardnekkig, hoewel de middelen door AQGO aangewend

, volgens den zoo eveu genoemden geschiedschrijver ,

den toets der eerlijkheid niet kunnen doorstaan. Als eene

krijgslist kan men aanmerken dat AGGO, een goeden vriend

van JANCKO gevangen genomen hebbende, dezen in eenen

korf, buiten aan de stins liet hangen , aan die zijde , waar

de belegeraars hun geschut hadden geplant, (want toen waren

ook zij reeds van bussen voorzien) , ten einde daardoor,

zonder den gevangene veel îeeds aan te doen , de vijanden

te beletten van hunne vuurwapenen gebruik te maken , zoo

zij JANCKO's vriend niet wilden opofferen , — maar verraad is

en blijft altijd ongeoorloofd en ook dit schuwde hij niet,

gelijk het vervolg zal aantoonen. HAEING poogde van zijne

zijde, zijnen broeder te ontzetten , maar vruchteloos ; de

door hem aangewende pogingen om JANCKO te bewegen tot

den aftogt door het rooven en branden in do dorpen Olde-

toorn, Nes en Akkrum in Utingeradeel hadden even weinig

goed gevolg, en het scheen dat AGGO den strijd moede

werd en naar een verdrag wilde luisteren. Hij verzocht

daarom een mondgesprek met JANCKO te mogen houden ,

waarop een wapenstilstand gesloten werd , maar toen JAMCKO

ter goeder trouwe en op dien wapenstilstand steunende in

voile veiligheid tot hem meende te kunnen komen, had

AGGO 25 busschieters in eene hindcrlage gesteld om JANCKO

van het leven te berooven. — Deze verraderlijke aanslag gelukte

echter niet, want hoewel DODWAMA wel geraakt,

maar niet gekwetst werd , hetgeen volgens de woorden van

J. DOUWAMA v. OUkboorn, ';» wal genoegh een groet mirakel

was ," konde hij ongedeerd naar de zijnen terugkeoren,

om den strijd tegen zijnen trouweloozen vijand met dubbele..

kracht en bitterheid voort te zetten. Het mirakel, waarvan

de schrijver spreekt is dit, dat drie kogels hem hadden

geraakt, maar tusschen het hemd en bloote ligchaam waren

blijven liggen en dat wel geheel en al plat. — Nn zag AGGO

weldra geen kans meer om het huis behoorlijk te verdedigen,

de vijand dreigde van buiten , de honger begon van binnen

te woeden, en hij zag zich alzoo genoodzaakt heimelijk

te ontvlieden, en dn stins aan zijne knechten over te laten,

die het den vijanden behoudens leven en have overgaven,

waarop het door hen met den grond gelijk gemaakt of zoo

als PETHUS dit uitdrukt omgeworpen werd.

Vervolgens wendde JANCKO zich naar Âkkrum waar hij

de stins van RIENK DOITZES , »omdat hij 't AGGE met

» hielt," belegerde, overmeesterde en den eigenaar zelven

gevangen maakte en toog van daar weder naar Hemelum

waar het huis van KEIMPO DONÎA , thans door IIOTZE , den

vijfden zoon van TJERK bewoond , door hem werd veroverd

en vernield. De schrijvers van het Archief schijnen deze

daden te splitsen , en de verovering van RIENK DOITZES

huis aan DOUWAMA , die van KEIMPE DONIAS huis aan GALAMA

toe te schrijven , want zij zeggen , » intusschen zat GA-

» LAMA ook niet stil, maar veroverde inmiddels de stins van

» K.EIMPE enz," De reden die hen daartoe noopte kunnen

wij met geene mogelijkheid begrijpen , daar PETRUS V. THABOR

er geene aanleiding toe geeft , terwijl SCHOTANUS van de

inneming van GALAMAS-SIUIS te Âlimarijp zegt: »Dit uij^-

» termaten sterke huijs hebben JANCKE en GALE terstond ter

» aerden geworpen, ende gheslecht," en dan laat volgen.

» Hiervan af toghensc voor RIENK DOITZES AüBAMA-huis te

Ackrum , enz. en later »Nu hiervan daen gingense glielij-

»kerhand voor KEIMPE DoNiA-huis te Hemelum." Ook WINSKMIUS

zegt dat JANCKO en GALO GALAMA »goede gelegen-

»heden vindende, met ter ylen derwaerts na Hemelum ge-

»trokken zijn" enz. Wij schrijven dus de overmeestering

van KEIMPE DoNiA.-b.uis aan de vereende pogingen der twee

verbonden edelen toe.

Wij hebben vroeger opgemerkt dat ia 1461 , de zwager

der DONIA'S BOTTE EESCHES of EESKES de stins van WATSO

MENNEMA , een medestander van de vijanden der DONIA'S had

vermeesterd ; hij was daarvan nog în het bezit, maar JASCKO

en de zijnen verlangden ook deze stins te veroveren en

pleegden daaromtrent raad in een klooster te Alclcrum,

Aylscm genaamd. Te dier tijde was die stins bezet niet

alleen door BOTTE EESKES , maar ook stellig door HARING

DONIA , en naar alle waarschijnlijkheid ook door AGGO , die

na zijne heimelijke vlugt uit het huis te Akmarijp , zich

•wel vervoegd zal hebben, bij den broeder, -wiens aard met

de zijne het meeste strookte , die hem in vroegere} en latere

tijden trouw had bijgestaan en van wien hij dus de beste

bescherming en de gereedste hulp had te; wachten. Toen

deze nu met de voornemens van JANCKO en de -'zijnen bekend

werden begrepen zij , met hunnen aanhang , voordeeliger

te kunnen strijden in het open veld , daar de partij

veel geringer in getal was , dan wanneer zij [een beleg op

de stins zelve afwachtten. Zij trokken dan in vereeniging

met HETTO DEKEMA van Weyüum, WORP TJAARDA van

Rinsumageest, TJEBBE UNIA , LIEUWE JELLINGA en DOUWE

ABBINGA van Stiens , JELGER FEIJTSMA , SIJTJE MARTENA ,

en OENE OENEMA van Wirdum, en DOEKE FONDENS van

Jorwerd en veel volks, eerst na Eernsum en aldaar te

Nijedam, iets Noordelijker dan Eernsum , over de Boom

en vervolgens weder zuidwaarts naar het klooster. Digt bij

het zelve ontmoette hen het vijandelijk leger , en er ontstond

een woedend gevecht, waarin het geluk geheel op

de zijde van JANCKO DOUW AHA verbleef, zoodat HARING DO-

.ïW-P'elve sneuvelde en met hem DIJE HANIA , DEKAMA ,

TJAEKDA en UNIA , met ongeveer 240 manschappen, volgens

ScHOTANus , 214 volgens WINSEMIUS, en 213 volgens PETBUS

THABORITA , terwijl WORP V. THABOR zegt dat er niet vele

volks bleef, maar vele wapens, paarden en kleederen. Het

gevolg van dezen beslissenden slag was dat de magt der

DONIAS geheel werd gefnuikt , JANCKO DOÜWAMA en de vetkoopers

die hem aanhingen werden alras meester van de

stins van WATSO MENNEMA , waarop BOTTE EESCHES woonde

en van DOÏTSE ABBEMA , ja zelfs was de verslagenheid onder

de Schieringers bij den dood van HAKING DONIA ZOO groot ,

dat zij verschillende door hen bezette stinsen uit vreeze verlieten en ook het HîDBEMA-huis door HARING zelve te

Nieuwland bezeten , aan de vijanden overlieten. Wij vinden

bij PETBÜS VAN THABOR aangeleekend , dat GOSLIK JUWINGA ,

GOSLIK JONGAMA, van Bolsivarâ daarop Inoam en niets meer;

WiKSEM.
Syrckx van Harinxma thoe Heech has reference number 7256.
Last Edited11 October 2021

Ype van Harinxma thoe Heech

M, #7178

Parents

FatherHaring Donia (b. about 1323, d. 1398)
MotherJelck (b. 1327)

Family: Jel Hettinga

SonSijtze Ypes Harinxma Thoe IJlst
DaughterJel Ypes Harinxma Thoe IJlst+ (b. about 1430, d. about 1460)

Biography

Ype van Harinxma thoe Heech has reference number 7257. Ype van Harinxma thoe Heech was an Opperrechter te IJlst.
Last Edited11 October 2021

Hotze van Harinxma thoe Heech

M, #7179

Parents

FatherHaring Donia (b. about 1323, d. 1398)
MotherJelck (b. 1327)

Biography

Hotze van Harinxma thoe Heech has reference number 7258. Hotze van Harinxma thoe Heech was a Geestelijke.
Last Edited11 October 2021

Ymck van Harinxma thoe Heech

F, #7180

Parents

FatherHaring Donia (b. about 1323, d. 1398)
MotherJelck (b. 1327)

Biography

Ymck van Harinxma thoe Heech has reference number 7259.
Last Edited11 October 2021

Humme Hummingha

M, #7181

Biography

Humme Hummingha has reference number 7260.
Last Edited11 October 2021

Jitske Heemstra

F, #7182

Biography

Jitske Heemstra has reference number 7261.
Last Edited11 October 2021

Hisck Riencksdr. Bockema

F, #7184

Parents

FatherRienck Bockama
MotherBoth Feickes Sickinga (b. 1335, d. 1386)

Family: Agge Harings van Harinxma thoe Heech (b. about 1360, d. 1422)

SonHepke Bocke Buinsma+
DaughterHylck Aggesdr. Harinxma+ (b. about 1400)
SonBocke Agges Harinxma+ (b. 1403, d. 1468)

Biography

Agge Harings van Harinxma thoe Heech and Hisck Riencksdr. Bockema were married in 1402 in Sneek.
Hisck Riencksdr. Bockema has reference number 7263.
Last Edited11 October 2021

Rintsje Syrtsema

F, #7185, b. about 1480, d. 1515

Family: Pier Gerlofs Donia (b. about 1480, d. 28 October 1520)

DaughterWobbel Piers Donia (b. about 1505, d. 14 March 1571)
SonGerlof Piers Donia (b. about 1505)

Biography

Rintsje Syrtsema was born about 1480. She died in 1515.
Rintsje Syrtsema has reference number 7264.
Last Edited11 October 2021

Jel Hettinga

F, #7186

Biography

Jel Hettinga has reference number 7265.
Last Edited11 October 2021

Ann Takes

F, #7187

Biography

Ann Takes has reference number 7266.
Last Edited11 October 2021

Foeck Janckesd. Douma van Oenema

F, #7188

Parents

FatherJancke Douwes Douma (b. 1350, d. 1420)
MotherJets Douwes van Harinxma van Donia (b. about 1360)

Biography

Foeck Janckesd. Douma van Oenema has reference number 7267.
Last Edited11 October 2021

Douwe Janckes Douma

M, #7189

Parents

FatherJancke Douwes Douma (b. 1350, d. 1420)
MotherJets Douwes van Harinxma van Donia (b. about 1360)

Family: Bauck Doeckes Rinia (d. 1500)

SonEpo Douwes Douma (d. 28 August 1516)
DaughterJel Douwes Douma (d. 1540)

Biography

Douwe Janckes Douma and Bauck Doeckes Rinia were married in Irnsum.
Douwe Janckes Douma has reference number 7268.
Last Edited11 October 2021

Foeck Fockema

F, #7190, b. 1383, d. 1476

Parents

Family: Douwe Douma (b. 1325)

SonUlcke Douwes Douma+
SonJancke Douwes Douma+ (b. 1350, d. 1420)

Biography

Foeck Fockema was born in 1383. She died in 1476 at age ~93.
Foeck Fockema has reference number 7269.
Last Edited11 October 2021

Ulcke Douwes Douma

M, #7191

Parents

FatherDouwe Douma (b. 1325)
MotherFoeck Fockema (b. 1383, d. 1476)

Biography

Ulcke Douwes Douma has reference number 7270.
Last Edited11 October 2021

Jouck Epes

F, #7192

Biography

Jouck Epes has reference number 7271.
Last Edited11 October 2021

Rinck Ulckesd. Douma

F, #7193

Parents

Family: Tjepcke Oenes Oenema

SonDouwe Oenema+ (b. about 1450, d. 1488)
SonUlcke Oenema+ (b. about 1450)

Biography

Rinck Ulckesd. Douma has reference number 7272.
Last Edited11 October 2021

Tjepcke Oenes Oenema

M, #7194

Family: Rinck Ulckesd. Douma

SonDouwe Oenema+ (b. about 1450, d. 1488)
SonUlcke Oenema+ (b. about 1450)

Biography

Tjepcke Oenes Oenema has reference number 7273.
Last Edited11 October 2021

Douwe Oenema

M, #7195, b. about 1450, d. 1488

Parents

Family: Riem Fockesd. Eesckes

SonJancko Douwes Douwama+ (b. 1482, d. 1529)

Biography

Douwe Oenema was born about 1450. He died in 1488.
Douwe Oenema has reference number 7274.
Last Edited11 October 2021

Ulcke Oenema

M, #7196, b. about 1450

Parents

Biography

Ulcke Oenema was born about 1450.
Ulcke Oenema has reference number 7275.
Last Edited11 October 2021

Riem Fockesd. Eesckes

F, #7197

Parents

Family: Douwe Oenema (b. about 1450, d. 1488)

SonJancko Douwes Douwama+ (b. 1482, d. 1529)

Biography

Riem Fockesd. Eesckes has reference number 7276.
Last Edited11 October 2021

Gerlant Hobbesd. Epinga

F, #7198

Family: Ulcke Oenema (b. about 1450)

SonOene Ulckes Douma van Oenema+ (b. about 1490)
SonDouwe Ulckes Douwma van Oenema+ (b. about 1490)

Biography

Gerlant Hobbesd. Epinga has reference number 7277.
Last Edited11 October 2021

Jancko Douwes Douwama

M, #7199, b. 1482, d. 1529

Parents

FatherDouwe Oenema (b. about 1450, d. 1488)
MotherRiem Fockesd. Eesckes

Biography

Jancko Douwes Douwama was born in 1482 in Bij Oldeboorn. He died in 1529 at age ~47 in Vilvoorde.
Jancko Douwama (1483-1533) is met Grote Pier een van de halflegendarische helden van de Friese vrijheid. In veel Friese steden en dorpen is wel een Jancko Douwamastraat te vinden. Hij heeft alles mee om een tragische held te zijn geworden: het liep slecht met hem af en we zijn voor het overgrote deel van informatie over hem aangewezen op zijn autobiografische werken. Andere bronnen over zijn leven en tijd zijn niet echt onafhankelijk van wat we in Jancko's geschriften kunnen lezen, want reeds vanaf 25 jaar na zijn dood gebruiken geschiedschrijvers zijn werk als de voornaamste bron over zijn leven.

Het leven van Douwama is een veelbewogen leven in een onrustige tijd. Het speelde zich af in de nadagen van de twisten tussen de Schieringers en Vetkopers. Toen de partij van de Schieringers de overhand kreeg bij de komst van Albrecht van Saksen in 1498, begon de Vetkoper Douwama hiertegen te ageren onder het mom van herstel van de Friese Vrijheid. Hij deed dit eerst vanuit Groningen, waar zijn vrouw vandaan kwam en waar hij ook bezit had. In 1502 keerde hij terug naar Friesland en erkende hertog Albrecht in 1504 als zijn heer. Toen in 1512 enkele Vetkopers werden vermoord, vluchtte hij naar Gelre en trad in dienst van hertog Karel van Gelre, die al langer plannen koesterde om Friesland te veroveren.
In zijn geschriften probeert Jancko dit veranderen van partij zo sympathiek mogelijk voor te stellen door te wijzen op het gevaar dat hij als eerlijke Vetkoper liep om door onbetrouwbare Schieringers te worden vermoord. Ook zou hij hebben geprobeerd om Albrecht te bewegen, hem van zijn eed van trouw te ontslaan.
In 1514 was hij een van de aanvoerders van een Gelders leger dat Friesland binnenviel. Al snel, in 1517, rezen meningsverschillen tussen Karel van Gelre en Jancko over de beste inrichting van het bestuur van Friesland, zodat Jancko weer van partij veranderde en in 1521 de eed van trouw zwoer aan keizer Karel V, de aartsvijand van Karel van Gelre. Het is duidelijk dat de titel van deze bloemlezing, Een man van eer, met een knipoog moet worden gelezen: de man in kwestie wisselde minstens drie keer van loyaliteit.
Omdat dépeches die Karel V en de landvoogdes op advies van Jancko naar Friesland stuurden niet tot resultaten leidden maar steeds door de Friese Staten werden afgewezen, rees het vermoeden aan het Hof, dat Jancko een infiltrant van de Geldersen was. In 1523 werd hij opgesloten op kasteel Vilvoorde, waar hij in 1533 overleed. In deze jaren schreef hij de werken die geheel of in bloemlezing in dit boek zijn opgenomen.
Als reden voor de bloemlezing geven de bewerkers, dat van de uitgave van Jancko's werken door het Fries Genootschap in 1849 slechts enkele tientallen exemplaren over zijn. Deze uitgave omvatte het Boeck der Partijen, Articulen van Foerantwoording, Instructie aan sijn wijff en Tractaet fan sijner rekenscap in iets ingekorte vorm. De huidige bewerkers kozen voor een bloemlezing in vertaling in hedendaags Nederlands, omdat een volledige uitgave meer dan 730 pagina's zou tellen. In deze keus zal de marktverwachting van de uitgever ook wel een rol hebben gespeeld, ondanks de steun van zeven Friese culturele stichtingen. En ze vermelden trots dat de huidige uitgave in drie jaar in avonduren is voltooid, terwijl die van 1849, door tegenslagen geteisterd, meer dan 10 jaar duurde.
Aan de werken die in 1849 zijn uitgegeven, is nog een geschrift toegevoegd, Instructie voor zyn kinderen. Dit geschrift is reeds in 1851 ook uitgegeven maar, zo merken de bewerkers op pagina 31 op, (omdat?) dit buiten het Fries Genootschap om is gebeurd, is dit geschrift nooit bij de bestudering van Douwama betrokken. De bewerkers kwamen achter het bestaan ervan, doordat de eigenaar van het handschrift had besloten om het aan de provinciale bibliotheek van Friesland te schenken. De uitgave van 1851 is weliswaar in het Frans, maar deze zinnen geven toch wel een erg parochiale indruk van het oudere onderzoek naar de Friese geschiedenis. En dat terwijl Jancko toch wijst op het nut van het leren van de Franse taal (pagina 156 van deze uitgave).
Aan de bloemlezing gaat een inleiding vooraf (pp.7-32) met beknopte informatie over tijd, leven en stijl van Jancko. Ook wordt iets verteld over de eerdere uitgave en de handschriften. Als inleiding voor een algemeen geïnteresseerd publiek is deze adequaat. Ik begrijp echter niet waarom de bewerkers in hun voorwoord vinden dat de inleiding, die ongeveer 10% van het boek beslaat, "nogal uitvoerig is opgezet" (p.8). Wie een diepgaander studie naar Douwama wil maken, moet ook het bovengenoemde artikel uit Fryslan, staat en macht raadplegen, dat verwijst naar andere bronnen en de - schaarse - overige literatuur.
Het Boeck der Partijen (fragmenten met verbindende samenvattingen, pp.33-135) begint met een wereldgeschiedenis. Met zevenmijlslaarzen wordt de tijd tussen Adam en Karel de Grote behandeld. Dan volgt een geschiedenis van de partijstrijd in Friesland tot Jancko's arrestatie in 1523. Het contemporaine deel is geschreven vanuit Vetkopers perspectief. Al beklemtoont Jancko telkens zijn betrouwbaarheid en die van zijn bronnen, toch moeten we ons realiseren, dat onder het mom van geschiedschrijving hier een rechtvaardiging van eigen handelen wordt gegeven. Expliciet gebeurt dit in de Articulen van foerantwording (pp.136-146), opgesteld als een smeekschrift ter inleiding van een proces, waarin Jancko hoopt te worden gerehabiliteerd., Dit proces heeft hij echter nooit gekregen. In dit licht moet het beeld dat hij van zichzelf geeft, de enige eervolle man temidden van een tijd vol kuiperijen en verraad, worden gerelativeerd.
Vooral Jancko's eigen belevenissen lezen als een avonturenroman. De vertaling in hedendaags Nederlands is vlot leesbaar, maar wisselt soms van gedragen - bijvoorbeeld: "de soldaten waren verheugd terwijl de keizer zich zeer verwonderde" (p.54), tot populair - bijvoorbeeld: "volgens mij is dit kletspraat" (p.57). De bewerkers zeggen een compromis te hebben gezocht tussen weglaten van herhalingen en recht doen aan het oorspronkelijke werk. Voor mij zijn ze hierin geslaagd. De annotaties bij personen en plaatsen zijn doorgaans verhelderend en stellen de lezer in staat, het boek buiten een wetenschappelijke bibliotheek te lezen. Een noot zoals die op pagina 70: "Voor Everwijn zie Encyclopedie van Friesland 176, en NNBW", behoort gelukkig tot de uitzonderingen. De noten geven ook verwijzingen naar enige achtergrondliteratuur. Van de verbindende teksten is mij niet steeds duidelijk, of historische informatie wordt verschaft dan wel het weggelaten deel uit Jancko's geschriften is samengevat.
De Instructie voor zyn kinderen en de Instructie an sijn wijff zijn integraal vertaald. Ze geven een beeld van een vader die weinig tijd aan huishoudelijke zaken heeft kunnen of willen geven, maar toch niet kan laten vrouw en kinderen op elk gebied aanwijzingen te geven. Ze komen direct en persoonlijk over, maar missen de dramatiek van de historische werken. Dat ze in afschrift zijn overgeleverd, lijkt erop te wijzen, dat Jancko tijdens zijn gevangenschap door partijgenoten werd beschouwd als martelaar voor de Friese vrijheid.
Resumerend kan gesteld worden dat dit werk veel historisch geïnteresseerden zal boeien, zeker in Friesland.

Bezat een stins te Langweer (Douma of Douwama Stins.)
Jancko Douwes Douwama has reference number 7278.
Last Edited11 October 2021

Teth Remptsd. Luersma

F, #7200

Family: Jancko Douwes Douwama (b. 1482, d. 1529)

SonDouwe van Douma+

Biography

Teth Remptsd. Luersma has reference number 7279.
Last Edited11 October 2021