Goto Homepage

Genealogical Database

Stamboom

Family Photoalbum

Mennonite Church Balk

Doopsgezinde Kerk Balk

Smid/Rijstra/Baukema
Visser/Haitjema
Symensma

Reglement Mennisten
Beschrijving Vermaning Wilhelminastraat Balk

Origin Holkema

Stamvaders Holkema

River Luts

Donate

Guestbook

Email

Tietema Leen
Holkema Patricier Family
Gysbert Japicx Award
Friese Familie Lenen
Stamvaders Holkema
Landerijen Holkema
Manuscript Gysbert Japicx
Wanda Sage

Lindebomen

       

Visitors
take me to the english translation of this page
English translation

De vroege Holkema's bewoners van de Vlie gronden

............... het is al Vlielandt !!

Rond het jaar 800 waren Vlieland en Terschelling groter dan tegenwoordig.
Rond 1000 waren Texel, Eierland en Vlieland met elkaar verbonden door een duinketen en slechts door een nauwe waterengte (Marsdiep) los van Noord Holland.
Vlieland strekte zich uit tot voorbij de huidige Afsluitdijk en omvatte ook Eierland (nu een deel van Texel). Het Vlie (destijds Fli of Flehi genoemd) of Vliestroom liep door tot in de buurt van Stavoren en vormde de scheiding tussen Vlieland en de vaste wal van West-Friesland aan de westkant en Terschelling en de vaste wal van de huidige provincie Friesland aan de oostkant.


Het Vlie had een belangrijke functie. Het was een goed bevaarbare route van het Flevomeer (waaraan indirect ook Amsterdam lag) naar de Noordzee. De Lex Frisionum (Friezenwet) onderscheidde West-Friezen en Oost-Friezen, het Vlie vormde daarbij de grens.
Vlie Stroom verbinding tussen Flevomeer en achterland

De Hol(c)kema's waren voorname edelen en grootgrondbezitters.Begonnen met landbouw en externe veeteelt in het waddengebied.
Ook de jacht (waaronder het rapen van (meeuwe)eieren) en visserij was onderdeel van levensonderhoud,
Zij leefden in de driehoek van Marsdiep(Texel),Harlingen en het huidige Vlieland.
Reeds voor het jaar 1200 na Chr. bezaten ze deze toenmalige landerijen.
Dit gebied was toenertijd de delta van de IJssel zoals u op de
Overzichtskaart van Nederland rond 1200 na Chr. kunt zien.


De steden West Workum en Gri(e)nd(e) lagen westwaarts van de tegenwoordige Friesche kust, alsmede de dorpen Westerwierum, Westerbierum en Dijkshorne. Waarschijnlijk bestonden de landerijen van de Holkema's uit het buitendijkse De (Moer)Waard (ook Robbezand),Breezand en het gebied ten westen van Almenum/Harlingen.


Dáár graasde eens het zoo nuttige vee in de weide, en zwoegde de nijvere landman voor het dagelijksch brood. Dáár dartelde eens de vrolijke jeugd in groene dreven, en ook dáár vereenigde men zich in heiligdommen (kloosters), aan de vereering des Allerhoogsten gewijd.

Een andere grootgrondbezitter in deze regio was het Klooster van Ludingakerk.Een klooster van de orde van der Reguliere Kanunniken. Eerst was het slechts eene kapel, doch naderhand werd er een prachtig klooster met eene kerk gesticht.

Het geslacht Galama bezat ook vele landerijen over de Vlie-stroom.Rond 1267 verkocht hij zijn landerijen ,onder druk van de opkomende zee, en is meer landinwaarts (binnendijks) gaan wonen bij Koudum.

En zuidelijker het geslacht Tadema nabij het bos Kreil (Nu Kuinre).


Ook het St Odolfus klooster lag ten westen van Stavoren bij de Vliestroom.Door verwijding van de Vliestroom rond 1319 is zij verplaatst naar Hemelum.De onderhorige dorpen van St Odolfus waren o.a. Stavoren,Laaxum,Warns,Kornwerd,Harich,Hindeloopen,Gaastmeer,Sandfirden,Hieslum,Ypecolsgea,Heeg (Hagakerke) ,Wyckel,Arum,Oosterzee,Kuinre,Urk,Dronrijp en Schingen.
Klooster Ludingakerke en de Holkema stins

Het is omstreeks het jaar 1157 als ene Eilwardus Ludinga(of Ludigman) het klooster Ludingakerke sticht in het dorp Almenum.Almenum is zuid- en noordwaarts langs den zeedijk gelegen, en was vroeger van grotere omvang.Almenum is nu geheel opgenomen in de stad Harlingen.De naam Harlingen is hoogstwaarschijnlijk ontstaan uit
"de state Harli(n)ga".Gelegen tussen Almenum en (buitendijks,vlakbij het eiland Griend) Dijkshorne.
Harlingen lag vroeger een stuk westelijker ,maar de zee sloeg regelmatig land weg.
In de jaren 1543 en 1565 wordt de stad in noordelijke richting uitgebreid. De Noorderhaven wordt als gevolg hiervan de binnenhaven die hij vandaag de dag nog steeds is. Een uitbreiding naar het oosten volgt in het jaar 1579. De uitbreiding, die in drie maanden is voltooid doet de kerk van Almenum binnen de stadsvesten van Harlingen belanden). Sinds vergrotingen van Harlingen waren er tussen de regering van die stad, en die van de grietenij Barradeel twisten over de grensscheiding.Door een arbitrale uitspraak van den Stadhouder van Friesland van 30 April 1684, verplicht de stad Harlingen onder anderen tot onderhoud der armen van Almenum.

Weleer lagen onder Almenum, de stinsen Bolta, Harlinga, Harns (Harus),Forteman en Gratinga, van welke laatste de tegenwoordig onder het dorp behoorende Gratindabuurt of Grettingabuurt haren naam ontleent. Overigens is in Almenum de eerste christen kerk tussen Vlie en Lauwers gesticht in 777 door Gustaaf Forteman (+792 n.Chr.)

Het Klooster Ludingakerke bezat een ""uithof"" op Texel (nu Oost Vlieland),een buiten het Klooster gelegen hofstede,waar conversen gehuisvest waren.De lekebroeders (kerkelijke boetelingen of zij die op latere leeftijd in het klooster traden) behoorden tot de kloostergemeenschap en hadden ook de kloostergelofte afgelegd,zonder tot priester gewijd te zijn. Zij hielden zich in hoofdzaak bezig met lichamelijke arbeid,het verzorgen van vee en het bewerken van akkers. Godefridus van Renen, 28-ste Bisschop van Utrecht, bezorgde het nieuwe klooster Ludingakerk eenen Overste, te weten zekeren Wigbolt, een Fries, beroemd wegens zijne heiligheid en deugd, als ook wegens het doen van wonderen. De Bisschop gaf aan het klooster tevens de helft van de inkomsten der kerk van Minnertsga. Wigbold was alzoo de eerste Abt van Ludingakerk, welk klooster zeer spoedig in macht en rijkdom, alsmede in weelde en dartelheid toenam, zoodat de zedelijkheid des kloosters niet zeer kan geroemd worden. De konventen Anjum, Achlum, Schilwerd en Oegeklooster waren hun bestaan aan Ludingakerk verschuldigd. Dit klooster bekwam vele landerijen op Texel. Er zijn door de tijd heen veel restanten (w.o. stenen,klokbekers,urnen en drinkbekers) naar boven gekomen.Bij de plek waar de ""Uithof"" van het Klooster heeft gestaan is nu het Monnikezand.

In deze regio was er veel wateroverlast daar de landerijen laag en moerassig waren zonder dijken.
Echter door de grote vruchtbaarheid verkozen mensen toch hier te wonen.
Na de watervloeden van 7 november 792 werden vele terpen verbeterd en nieuw opgeworpen.Koudum,Almenum,Midlum,Herbajum,Hitzum,Winsum,Tzum,Dronrijp,Uitgong (Berlikum),Wijnaldum,Pietersbierum,Sexbierum,Oosterbierum,Firdgum,Schalzum,Reitsum,Genum en Lichtaard De vreselijke watervloeden in 1170, 1172, 1174, 1176, 1177, 1200, 1212, hebben de oude Vlietstroom aanmerkelijk verwijd.
De storm op 1 November 1170,heeft een groot deel der lage landen tusschen Stavoren, Medemblik en Texel, in een ondiepe zee veranderd; blijvende echter nog de noord- en noordwestkant van Friesland meer of min onbeschadigd. Vele landbewerkers vluchten waardor de landerijen vervielen aan het klooster of ze stelden hun grond ter beschikking van het klooster om verzekerd te worden van een goede bedijking van het land.

Om deze vruchtbare landerijen te bewerken, trokken de konversen van het klooster dikwijls naar de kusten der Noordzee, waarvan de afstand nog al aanmerkelijk was deed de conversen besluiten om eene gracht of vaart te graven van Griend naar Texel, waartoe de Monniken van Ludingakerk, geholpen door de inwoners van het dorp Dijkshorne (indertijd vlakbij Griend gelegen), gebruikt werden. De broeders zuidwest van Griend naar Texel (Monnikesloot).

Monnikesloot onder Vlielandhttp://www.holkema.info/origin/Monnikesloot en Moer Waard (Moer Wardt)

Griend lag noordwestelijk van Harlingen .Griend, was een stad compleet met poorten, grachten en zelfs een hogeschool. Deze stad is in het jaar 1287 tijdens een zware storm grotendeels in de zee verdwenen. Thans is er nog slechts een zandplaat met de naam Griend in de Waddenzee die herinnert aan een eens welvarende stad. Griend zoals het er nu bij ligt

In navolging van de Monniken groeven de Holkema's en andere landeigenaren bij het Vlie ook kanalen.

""Ook het geslacht van Holkama ,wiens landen door het IJsselwater gekweld werden,groef sloten of grachten,om het overtollige water zeewaarts af te voeren"" Pieter Winsemius (Pierium Winsemium ) "Chronique ofte Historische geschiedenisse van Vrieslant,van den Jaere nae des werelts scheppinghe 3656 tot den Jaere nae den gheboorte Christi 1622" ("Chroniek van Vrieslandt") , uitgegeven in 1622:

1204:Holckama vaert loopt in den zee: "" Omtrent dese tijde die van Holckama, welcke aen het Vlie ofte Ysel-stroom veele landen hadden, die met wateren van den selven reviere seer beswaert wierden, een sloot ofte vaert door den duynen in zee laten graven, om also die selve in tijden van noodt te conen uytlossen, ende met zijlen ende andersins in zee laten uytstroomen. 'Twelc also bij haar begost was bij anderen mede, welcke oock gelijcke plagen onderworpen waren, na gespeelt,waer over eijndelijcken die Noordt-Zee zijne genck nemende, heeft die selve gaten ende engten, dat daar door die Duynen eenige jaren daerna bij tempeest ende onweder gheslecht zijnde, die Noordt-Zee dielanden tusschen beijden gelegen, met water bedeckt ende wech gespoelt heeft. Waer van wij hier na in onse volgende Boecken breeder sullen spreecken.""

De Holkema's van oost naar west door De Waard en Breezand (Holkema sloot). De abt Gerbrand was zeer tegen de kanaalgraverij van de Holkema's en overige landeigenaren

Het Vlie rond 1200 met daarin aangegeven Monnikesloot en Holkema sloot en hedendaagse afsluitdijk                                                           Klik voor vergroting

De grote afbeelding van de kaart bekijken
Zij wilden een betere ,makkelijker en veiliger vaarweg maken voor het transport van landbouwprodukten en andere handelsvaart en voor een betere afwatering van de landerijen. De landerijen van de Holkema's hadden veel wateroverlast van de IJssel. De hoofdkanalen werden door de duinenrij tussen het Texelse Eierland en Vlieland gegraven. Het vaarwater Monnikensloot en de ontdiepte Monnikenzand herinneren nog hieraan. Hierdoor werd het ten westen van Almenum gelegen Harlingen dermate belangrijk dat het in het jaar 1234 zijn stadsrechten verkreeg.Het Vlie rond 1200 met daarin aangegeven Monnikesloot en Holkema sloot en hedendaagse afsluitdijk

Deze grachten en vaarten gegraven door het Klooster Ludingakerk,Holkema's en andere landbezitters (Riemersma, Frittema, Laus ,Eseluma, Aynstra en Saltripeta.....) hebben aanleiding gegeven, dat de Noordzee eenen grooten invloed bekwam op de aldaar gelegene en mest lage landen.
Mede door ontbossing (om de landerijen voor landbouw geschikt te maken en doordat alhier de eerste turfafgravingen op gang kwamen rond 1220.(Later werd het afgraven van turf buitendijks in de nabijheid van de dijken strafbaar gesteld).
Bij de zware vloed van 1237 wordt melding gemaakt dat vooral de landen van Holkama ,ten westen van de huidige friese kust,door de zee vreselijke brokken land worden weggescheurd.

1237:Watervloet in Vrieslant: "" Westergo ende die Landen van Holckama, welcke het selve met hare vaerten ghewerckt hadden, waren rontsomme met water besett, also dat die van Holckama 't landt in den morgenstont, siende het water so hooch ghewassen te zijn, datter vreese was te sullen ondergaen, hebben sij den anderen ontrent haer woonende ende noch slapende, aengesproocken,roepende op, en het is al Vlielandt verstaende daer door dat het Vlie al meester (ghelijck sommige het duijden) van het landt gheworden was. Heeft die gantsche streeck naermaels uijt dien oorsaecke zijnen name also behouden, ende heeft noch ten huijdigen daghe also,nu een Eijland leggende, tusschen Texel en den den Schellingh, 'twelck oock gelijck als die meet Eijlanden van Vrieslandt, die hollandsche graven ghewaltlijcker wijse tegens alle volckeren recht ende billicheijt aengetast ende ingenomen hebben. ....... Van desen watervloed melden seeckere oude Vriessche aenteijckeninghe aldus: """Damen schreeff MCCXXXVII da wasser een haege Zee in Vrieslandt."""

De stins van Ludingakerk, staande tusschen Dijkshorne en Texel ging tevens ten onder, terwijl er mede eene groote hoeveelheid landerijen ,welke aan het klooster toebehoorende, in zee veranderd werd. Duizenden morgens land met huizen en dorpen verdwenen in Zee.
Het begin van het ontstaan van de eilanden Texel en Vlieland.Vermoedelijk is 1314 het eiland Vlieland ontstaan.
De verschillende en zware vloeden, die ons land en vooral Friesland in de dertiende en veertiende eeuw teisterden, hebben aan de Zuiderzee en de Wadden die gedaante gegeven, die zij nu vele eeuwen gehad hebben. en duizenden morgens land met huizen en dorpen in zee verdwenen.

Door de ""Monnikesloot"" welke door de duinerij liep kreeg de zee vrij spel en vormde er het Eierlandse Gat.Het Eierlandse gat ïn 1573 tussen Texel en Vlieland

De Wanda sage verhaalt over deze vaarten graverij (klik deze link). Door o.a. Monnikesloot en de Holkemasloot is het eiland Vlieland ontstaan.Voorheen was dit verbonden met Texel. Vlieland was staatkundig een deel van het Graafschap Holland.In 1237 (dus nadat grote stukken land reeds waren weggespoeld) schonk Graaf Willem II Vlieland aan het Klooster Ludingakerke ,waardoor het weldra een der vermogendste in Friesland werd.

De volgorde van wegspoelingen was alsvolgt:
 1170
1237 1250 1287 1395
 de strook gronds ten oosten van 't Fliemeer en een gedeelte ten noorden van Medemblik tot voorbij Texel.
spoelde een gedeelte ten zuidoosten van Flieland weg.
De (Moer) waard en Westerwierum
Een uitgebreide strook langs de kusten van Overijssel en Friesland (ten westen van Harlingen en het Breezand).
Met uitzondering der landen tusschen Staveren en Medemblik gelegen.Deze lagen hoger en waren meer bebost.
de landen ten noorden van Harlingen (Griend,Dijkshorne,Westerbierum) De landen tussen Staveren en Medemblik gelegen

De wadden Texel ,Vlieland,Terschelling en de Friese kust anno 1750

In 1245 wordt een Nicolaas-kapel genoemd op Insula Fle (Eiland Vlieland).
In de vroege Middeleeuwen moet het gebied tussen Vlieland en de wal weidegrond geweest zijn voor veehouders uit het Westergo en van Vlieland zelf. Er heeft zeker beweiding in de zomer plaats gevonden.
Tot in de negentiende eeuw waren grote delen van het wad tussen Vlieland en Harlingen bij laagwater nog begaanbaar. De familie Holkema was een rijke Familie welke door de tijd hen in iedergeval 2 stinsen (versterkte boerderijen) bezaten,waarvan een stins op het huidige Vlieland.
Onder vele edelen en voorname geslachten begonnen hooggaande twisten en onenigheden meer en meer de overhand te nemen.Welke door gebrek aan rechtshandhaving schromelijke gevolgen had:

1268 In Vrieslant ghelijck aanghewesen is,bogost allengskens het giftighe ende pestilentiale vyer van sonderlinghe scheuringen op de bane te comen.Waer over eerstlijck Stinsen ende vastigheden,naermaals jaloersie ende misgunst,openbare ghewalten ende dierghelijcke quaden veroorsackt heeft.(Mede doordat er een gebrekkige rechtshandhaving was.) Holckama-Stins (van welcke geschlachte wij te vooren gesproocken hebben) stonde dies tijts op Vlielant alwaer sij hare afwateringen in Zee lieten stroomen. Van de stins wierde veel gherooft ende gheplondert.Waer door ooc eyndelijcken van den naestleggenden Edelen afgesmeten en vernietigt is.Na welcken tusschen die van (Gerbert) Cammingha (van Marrum) (Aeltze) Herweytsma ende (Ritske) Wybalda oock haet ende partijschap door onderlinghe ghevanckenisse ontstanden is.

De stins op Vlieland is dus in het jaar 1268 na Chr. geplunderd en vernield. Waarschijnlijk door het verlies van aanzienlijke landerijen (tussen 1237 en 1268),en daarmee inkomsten,werden de Holkema's Roofridders !

Tot hun aktiviteiten zouden gerekend kunnen worden ,het illegaal innen van tolgeld,het plunderen van schipbreuk lijdende schepen,misschien zelfs wel het misleiden van schepen zodat deze schipbreuk lijden............., het innen van gelden voor bescherming.Het roven en bestelen van mede eilanders (edelen).

Na 1268 volgt een grote stilte ..........Holkema's zijn verdwenen.......

Aangezien de landerijen in de driehoek van Marsdiep(Texel),Harlingen en het huidige Vlieland grotendeels weggespoeld waren,
Moet de Holkema Stins wel op het huidige Vlieland hebben gestaan,zoals Winsemius ook meldt.
Gezien de uitloop van de Holkema sloot,zou dit hoogstwaarschijnlijk op West Vlieland geweest zijn.Ook gezien het feit dat een Holkema alarm sloeg bij de watersnood in 1237.Eerste bewoning was op West Vlieland.
Echter daar de eilanden zich verplaatsen van west naar Oost,zal de stins zich op de zeebodem bevinden ten noordwesten van het huidige west Vlieland (De Vliehorst)


Het dorp West-Vlieland

Het dorp West-Vlieland had geen haven, evenmin als dit in het verleden bij Oost-Vlieland het geval was. Bij vloed ankerden schepen op de Waard en bij laagtij werden ze gelost door de wagenaars, de expediteurs uit die dagen.

Rond 1500 duiken de Holkema's weer op,op de vaste wal,aan de westkust van het huidige Friesland.
Stateplaats holkema
Overzicht stamvaders Holkema bij Idsegahuizen,Follega/Lemmer en Bolsward. Ten zuidwesten van Harlingen,tussen Harlingen en Achlum,bij Kiptille,een stins genoemd Holckre State.Deze wordt in 1511 genoemd als zijnde dat Haye Pieterszoon daar woonde en 1606/1607 als zijnde de woonplaats van Sybe Hommes.

In het register van aanbreng van 1511 deel 3 s 288 op 1546 vinden we het volgende:

""Haye Pieterzoon heeft ons schriftelijcken aangegeven ende bij zijnnen eede verclairt te gebruijcken Holckstre Saete mijt die principail holcke dair thuijs op staet 't welck is die groote holck ende mijttet saetlandt rondt om 't huijs ende fenne op die zijde van 't huijs ende hooch camp bij litke holck ende litke holck selven""

En in de aanbreng der vijf delen van 1511 en 1514:
1511:

Pieter Hayes geeft den pater toe Luynkerck 8 fl. 7 st. ende Pieter voors. heeft mit zyn vrunden die halve staeten ende 12 pondematen,taxeert 6 fl.

Pieter Hayes was dus eigenerfde boer daar hij zijn bezit taxeert. Vervolgens:

Lyuwe op die Holcke geeft den patroon voors. 31 fl.,noch selff 6 pondematen 2 fl. ende Tiepcke Jelle zoen 1 fl. 14 st.


1514:

Peter Haye zoen op de Holcke geft dit jaer toe huyer cloester Lonkerck 8 fl. 12 st. ende noch sulven met zyn frenden 3 fl. ende de pastoer tot Merllem (=Midlum) 13 st. voor eewych dellen.

Vervolgens:

Haringh op de Holcke gheft dit jaar toe huyer dat cloester Lonkerck 31 fl. ende nochvan Juryen tot Welsryp 5 pondematen voir 1 fl. 22 st. ende noch sulven met zyn frenden 2 fl.

Voorts vinden we in ""Rekken oer it boekjier 1606/1607 fan de ûntfanger-generaal fan de kleasteropkomsten yn Fryslân, Joannes Henrici Rhala útjûn troch P . Nieuwland en J.A . Mol "" een Sybe Hommes te Midlum: Sybe Hommes op Holcke erffgen. 55 pond., daervan die 25 pond. à 32 st. ende die 30 à 30 st., fc. 8 De eenheden zijn: fc. facit; pond. pûnsmiet (± 0,36 hektare; 240 st. stoer(en)

De gebruikers van Holckre State ,stateplaats Holckama ,waren voorzover bekend:
1511 Haye Pieters (gebruiker)
1606 Sybe Hommes (pachter),dit zou de vader van Rigt Sybes kunnen zijn.
Rigt Sybes was getrouwd met Sytse Jetzes Holckema
1619 Sytse Jetses Holkema ,getrouwd met Rigt Sybes (pachter)
1644 Jacob Jacobs (koper)
1700 S(ybrandus?) Bechius (eigenaar)
1832 Petrus Johannes Beijma (eigenaar),vredesregter,woonachtig te Weidum op Dekemastate
Holkema state te Achlum

Holkema state te Achlum
Holkema state,helaas vervangen door een groot modern boerenbedrijf.....

Familiewapen van de Holkema's

Vroeger was de spelling van de achternaam niet zo bindend als heden ten dage. De Holkema's, Holckema's en Holckama's zijn dan ook van eenzelfde tak. De Holkema's zijn al een heel oud geslacht en traceerbaar tot rond 1200 na Christus.(Chroniek van Vrieslandt) Het familiewapen bestaat uit een schild met aan de linkerkant een halve adelaar en de rechterkant een horizontaal opgedeeld half schild met aan de bovenkant een "A" uitgevoerd in balken (germaans merkteken) en daaronder een afbeelding van een eikel.

Familiewapen van de Holkema's
De vroege traceerbaarheid was mogelijk omdat de Holkema's in hun familiewapen het germaanse merkteken (handmerk /huismerk) van,voor Napoleon zijn tijd, in hun familiewapen voeren. Een hand- of huismerk gaat terug tot voor het begin van de jaartelling en werd gebruikt door een familie of persoon. Het is een vrij eenvoudig te tekenen figuurtje, dat ook kon worden gebruikt door mensen die niet konden schrijven. Het werd gebruikt om akten te ondertekenen, als eigendomsmerk op voorwerpen of in plaats van een wapen op een grafzerk. Soms gebruikte men een persoonlijk merk, maar heel vaak vererfde het ongewijzigd of met kleine wijzigingen van vader op zoon. Bij gebruik van een handmerk vergezelde men het dikwijls van initialen. Vooral onder de Friezen is het merkteken in zwang geweest.Waarschijnlijk afgeleid van runen tekens
Het huismerk /handmerk van de Holkema's
De halve adelaar welke in het familiewapen staat is iets wat alle oorspronkelijke friese familie's hebben. Dit is hen gegeven door Karel de Grote en aan deze halve adelaar waren bepaalde voorrechten verbonden.Bijvoorbeeld het makkelijk kunnen passeren van grensovergangen. De oorsprong van de halve adelaar :Friesland maakte vroeger deel uit van het Heilige Roomse Duitse Rijk (een dubbele adelaar). De eikel op de blauwe achtergrond in het familiewapen duidt op bosbezit in een waterrijke omgeving.
De stamboom van de Holkema's kunt u bekijken door op deze link te klikken
De Holkema famile is gerelateerd aan Haring Donia. Andere beroemde en belangrijke nakomelingen van Haring Donia; stamvader van de Harinxma's thoe Slooten (dus ook familie van de Holkema's) zijn Jancko Douwama,ook fries vrijheidsstrijder en Ygo van Galama. De Van Galama's hebben veel grietmannen (burgemeesters) voortgebracht voor Freisland. De Van Galama's zijn door vele huwelijken met de Harinxma's (thoes Slooten,thoe Heegh etc.) en Van Aylva gerelateerd.Ook de Harinxma's en Van Aylva's hebben vele grietmannen voor Friesland voortgebracht De connectie tussen de Donia's en de Holkema's is Pieter Fransen Holkema (zoon van Frans Willems Holkema en Eelck Pieters) ,welke getrouwd was met Meijncke Daniels van der Leij. Meijncke Daniels van der Leij is een nakomeling van Haring Donia, door Bauck van Harinxma welke getrouwd was met Hans Tietema. Een zoon van Pieter Fransen Holkema ,Frans Pieter Holkema kon theologie studeren met behulp van het Dr. Douwe Tietema familie leen (een soort studiebeurs)

Holkema een patriciër familie


Vroeg beginnen en stug volhouden is de enige manier om patriciër te worden. Allereerst moet de familie zes generaties lang hebben gepresteerd. In de officiële termen van het Centraal Bureau voor de Genealogie: "een vooraanstaande rol in de Nederlandse samenleving hebben gespeeld". Dit betekent niet dat alle leden moeten eindigen eindigen als minister-president, maar een flink percentage succesvolle intellectuelen of kunstenaars kan geen kwaad. Voordeel: er mag een enkel zwart schaap tussen zitten......... Vroeger deden families nogal eens hun best afwijkende verwanten - ongehuwde moeders, samenwonende stellen - uit hun stamboom te zuiveren. Vervolgens komt de toetsing voor een commissie van het Centraal Bureau voor Genealogie. Besluit die dat de familiestamboom acceptabel is, eventueel na kostbaar aanvullend onderzoek, dan wordt deze geplaatst in het "blauwe boekje", dat officieel Nederland's Patriciaat heet. Van 1910 tot en met 1998 zijn daarvan 81 jaargangen verschenen. Na plaatsing in het 'blauwe boekje' volgt de rekening, afhankelijk van de grootte van de stamboom: hoe meer bladzijden die in beslag neemt, hoe duurder. Bovendien moet de nieuw erkende familie anderhalf keer zoveel blauwe boekjes kopen als het aantal bladzijden dat de familiestamboom beslaat. Tegen een gereduceerde prijs van 75 gulden weliswaar, maar toch. De kosten voor plaatsing in het 'blauwe boekje' zijn dus fors. Na 25 jaar mag een familie haar stamboom opnieuw laten afdrukken in het 'blauwe boekje'. Mits de familie dan nog maatschappelijk meetelt. Voor een beetje succesvolle familie hoeven de kosten na zes geslaagde generaties geen probleem meer te zijn. De term patriciaat is nogal verwaterd door de jaren heen: 'Heel veel families die nu in het blauwe boekje komen, zouden vroeger niet aan de criteria hebben voldaan.' zegt plaatsvervangend directeur Nico Plomp van het Centraal Bureau voor Genealogie. 'Vroeger' gaat dan over het begin van deze (20e) eeuw: in 1910 verscheen het eerste exemplaar van het 'blauwe boekje'. De familie Holkema heeft deze toets doorstaan en is reeds geplaatst in "Het Blauwe Boekje"
Naar Holkema de patriciers


Officiele website van het

Dr. Douwe Tietema familieleen.
Familieleden in de stamboom op deze website komen hiervoor in aanmerking !




Gysbert Japicx Hol(c)kema

Gysbert Japicx Holkema Een van de oudste bekende Holkema is de friese dichter Gysbert Japicx (1603-1666) geboren in Bolsward. Een autograaf (handschrift)van Gysbert bereikt u door hier te klikken. Om in zijn levensonderhoud te voorzien was hij schoolmeester. Waarschijnlijk had hij een goede opleiding genoten daar hij een goede kennis had van frans en ook latijn en grieks.Waarschijnlijk is hij leerling geweest aan de latijnse school te Bolsward.

Stadhuis Bolsward Zijn vader Jacob Gysbert was kistenmaker, maar was daarbuiten ook burgemeester en diaken,kortom hij hoorde tot de gegoede burgerij. Jacob Gysbert heeft o.a.de toegangsdeur tot de raadszaal van het stadhuis van Bolsward betimmerd (gebouwd in de jaren 1614-1616).
Op de achterzijde van deze deur staat tevens vermeld dat hij de ontwerper is van het Stadhuis van Bolsward.Jacob Gysbert en zijn vrouw Anke Willems liggen begraven in de Broerekerk te Bolsward.Aan de zuidmuur is hun grafsteen nog steeds te bezichtigen
Stadhuis Bolsward Van Gysbert Japicx hangt een portret in het Fries Museum te Leewarden,welke geschilderd is in 1637.Hij was toen 34 jaar. Het portret is geschilderd een jaar nadat hij trouwde met een notarisdochter te leeuwarden,Sijke Salves. Het schilderij is gemaakt door matthijs Harings (ca.1593-ca.1665).

Voor Gysbert Japicx is onlangs een museum ingericht in Bolsward
Aldus een persbericht:
"Friesland's eerste grote Friestalige dichter en schrijver was Gysbert Japicx Holckema. Staatssecretaris Aad Nuis opende vorige week een museum over zijn leven: 't Gysbert Japicxhus. Hier is te zien hoe Gysbert leefde, wat voor werk hij geschreven heeft en hoe er over hem geschreven is. Het gedeelte 'It Ferhaal fan de taal', geeft aan hoe de ontwik- keling en de plaats van het Fries geweest is, het verval en later de opleving, de waardering en de erkenning als tweede Rijkstaal.
Het gedeelte 'Meertaligheid in Europa' geeft een overzicht van de ca. 50 kleine talen in Europa. In dat kader komen o.a. het Stellingwerfs, it Hylpers, het Stadsfries en het Bildts aan bod. In het 'Gysbert Japicxhus' heeft de zgn. 'tekstwinkel' ook een plaats gekregen. In de winkel zijn teksten te bestellen voor alle mogelijke gelegenheden. Daarnaast zijn een aantal korte teksten voor bepaalde gelegenheden op kaart gezet."

Levensloop van Gysbert Japicx Holkema:

1603     

Gysbert Japicx wordt geboren als oudste zoon van kistmaker en latere burgemeester Jacob Gysbert Holkema en Antje WillemsDr. wonend aan de Wipstrjitte 6 te Bolsward.

ca. 1610

Gysbert Japicx Holkema gaat naar school bij meester Michiel van der Molen,welke hij later in functie op zal volgen

ca. 1615     

Waarschijnlijk is Gysbert leerling aan de latijnse school te Bolsward onder rector Henricus Antonides.

1614-1616

Bouw van het stadhuis te Bolsward naar ontwerp van zijn vader Jacob Gysbert Holkema
   1624     Gysbert Japicx Holkema wordt aangenomen als lidmaat van de Nederlandse Hervormde Kerk te Bolsward

1625     

Gysbert Japicx wordt benoemd als schoolmeester te Witmarssum op voorspraak van Tjeerd van Aylva,grietman (burgemeester) van Wonseradeel,op een traktement van 100 goudguldens per jaar.
1635 Gysbert verlaat Witmarssum en vermoedelijk naar Beetgum.
1636 Huwelijk te Leeuwarden met de 13 jaar jongere Sijke Salves Nicolai ,dochter van notaris Salvius Nicolai,afkomstig van Stiens en woonachtig aan de Nieuwstad te Leeuwarden.
  1637     

 

Gysbert Japicx Holkema gaat terug naar Bolsward met zijn vrouw Sijke en zijn schoonmoeder (inmiddels weduwe) Aeltje Lenerts Flasmar.In Bolsward wordt hij benoemd tot schoolmeester en voorzanger op een traktement van respectievelijk 247 goudguldens en 40 goudguldens per jaar.Hij woont eerst in de Snorcksrjitte en later op It Heech.Zijn eerste dochter Antsje wordt geboren ,welke jong overlijdt.
ca. 1638 Dochter Aeltje wordt geboren.
1640

 

Bruiloftsvers ""Fryske Tsjerne"" verschijnt in druk,uitgegeven door de Leeuwarder uitgever Claude Fonteyne (vriend van Gysbert Japicx)
1641 Zoon Salves wordt geboren.
1644     Zoon Jacob wordt geboren.
1650 Dochter Antsje wordt geboren.
ca. 1650     Bezoek van de britse taalkundige Franciscus Junius (1590-1677).Gysbert leert hem fries.Door Junius zijn veel handschriften van Gysbert bewaard gebleven (Bodleian Library Oxford).
1654 Start van de vriendschap met Symen Abbes Gabbema (1628-1688) poeet historieschrijver van Friesland wonend te Leeuwarden.Briefwisseling van 1654 tot 1661 in totaal 26 bewaard gebleven brieven.
ca. 1655     Uitgifte van het dichtwerk van Gysbert bij een Leeuwarder Drukkerij mislukt.
1656 Rampjaar.......drie van zijn kinderen (Antsje ,Jacob en Aeltsje overlijden aan de pest.Gysbert zijn gezichtsvermogen wordt hard minder.
ca. 1660     Zoon Salves studeert in Leeuwarden tot heelmeester m.n. in zijn laatste studiejaar begint Salves een losbandig leven te lijden.Later als heelmeester te Rien (toen bekend van zijn grote paardemmarkten) werd dit nog erger.Op voorspraak van Gysbert wordt Salves overgeplaatst naar Ameland,maar ook daar temidden van de schipperslui blijft Salves losbandig en maakt veel schulden.
1666      Pestepidemie in Bolsward,Gysbert en zijn vrouw overlijden ,ondanks de verzorging van de teruggekomen zoon Salves) binnen 8 weken.Salves overlijdt ook als gevolg van de pest in dat jaar.
Omdat volgens velen Gysbert nederlands grootste taalbouwer was van de 17e eeuw hebben de staten van Friesland in 1947 een literatuurprijs in het leven geroepen, welke naar hem vernoemd is. Herdenkingspostzegels Gysbert Japicx Holkema































Franciscus Holkema


Franciscus Holkema Een andere beroemde Holkema,is Franciscus Holkema, een student biologie. In 1868 herontdekte hij de cranberry,ook wel de amerikaanse veenbes of lepeltjesheide genoemd. Dit alles vond plaats op het eiland Terschelling of Vlieland. Oorspronkelijk was het Studentenplak een natte duinvallei. In 1868 ontdekte Holkema, student biologie, hier voor het eerst de cranberry, ook wel Amerikaanse veenbes of lepeltjesheide genoemd. Op Terschelling is een hele cranberry-cultuur ontstaan. De naam Studentenplak Het fietspad dat in West-Terschelling begint en langs het zwembad en het voetbalveld loopt naar West aan Zee (paal 8), voert even over de helft langs het Studentenplak. Een wat typische naam, zo op het eerste gezicht. Maar bij nader inzicht is de naam makkelijk te verklaren en nauw verbonden met de cranberry. In de vorige eeuw was het gebied van het tegenwoordige Studentenplak een natte duinvallei, zoals er zoveel in het Terschellinger duingebied voorkwamen. In 1868 komt er een zekere Holkema, student biologie, naar Terschelling om de plantengroei van de Nederlandse Noordzee-eilanden te bestuderen. Hij heeft vrij veel belangstelling voor een bepaald stukje duin. In dit stukje duin hebben de eilanders hun invloed wat minder doen gelden dan het duingebied meer oostelijk. Daardoor is het nog vrij gaaf gebleven en het bestuderen waard. Vanwege de belangstelling van de student wordt de duinvallei al spoedig 'studentenplak' genoemd. (Plak staat voor plaats of plek; een natte duinvallei wordt vaak aangeduid met waterplak, later verkort tot plak). In de natte vallei het Studentenplak komt Holkema als eerste het cranberry-struikje tegen. Nergens in Nederland is het plantje ooit eerder aangetroffen. Sindsdien zijn de namen Studentenplak en Holkema onlosmakelijk verbonden met de cranberry. De Cranberry Volgens een (algemeen aangenomen) overlevering is de cranberry op de volgende manier op Terschelling terecht gekomen: 'Het is een stormachtige novembernacht in de vorige eeuw wanneer Pieter-Sipkes Cupido het warme echtelijke bed verruilt voor de striemende regen op het strand. Turend en duwend tegen de storm loopt hij van paal tot paal langs het strand. Zijn ogen hebben moeite met de regen. Er beweegt iets in de branding. Minuten lijken uren, dan spoelt het voorwerp aan. Het blijkt een fors vat, volledig intact en zwaar. Pieters verwachtingen zijn hoog gespannen. Met alle kracht duwt hij de ton over het strand en over de eerste duinenrij. Al die inspanning vraagt om een beloning, vindt Pieter. Zijn verkleumde vingers wrikken aan de plug van het vat. Een hartversterkertje zal er best ingaan. In de eerste ochtendgloren ziet Pieter verbaasd een handje rode bessen in het zand rollen. Verbazing wordt woede. Hij had er meer van verwacht. In drift krijgt het vat een ferme schop met de klomp en het barst. De bessen vliegen in het rond. Mokkend gaat Pieter huiswaarts, onvoldaan." De eilanders noemden de bessen vroeger wel 'Pieter Sipkesbeien': een duidelijke aanwijzing dat de overlevering misschien wat mooier is gemaakt, maar een kern van waarheid bezit. De naam Cranberry (of eigenlijk Craneberry) komt van kraanvogel: de sierlijk gebogen bloem had wel wat van de nek van een kraanvogel. Andere namen zijn 'Amerikaanse veenbes' en 'lepeltjesheide'. De bes vond in het Studentenplak (eigenlijk toevalligerwijs) een milieu dat aan haar eisen voldeed: een kalkloze, zure en vochtige grond met wisselende waterstand. 's Winters en in het voorjaar stond het plak enkele tientallen centimeters onder water, 's zomers stond het water kort onder het maaiveld. Omdat vele duinvalleien dezelfde omstandigheden kenden kon het plantje zich vrij snel uitbreiden. De cranberry is een klein groenblijvend struikje. De kleine blaadjes zijn leerachtig groen met een wit waslaagje aan de onderkant. Wanneer ze met velen in een nat plak voorkomen, lijkt het net of er een groen tapijt op de grond ligt. De besjes zijn eerst geelachtig wit, en worden bij het rijpen steeds donkerroder. Ontwikkeling van de cranberry De eilanders moesten eerst niets hebben van de wrange en zure, misschien wel giftige, bessen. De cranberry-cultuur kwam op gang toen eind vorige eeuw iemand van de wal het Studentenplak pachtte voor de cranberry-oogst. De bessen kregen waarde! Meer valleien volgden. Het duurde niet zo lang voor de valleien in cultuur werden genomen. Er vonden beheersmaatregelen ten gunste van de cranberry plaats als: waterstand beheersbaar maken, valleien opnieuw inplanten, valleien met een zekere regelmaat 'overzanden' (de planten 'verjongden' zich vervolgens), eggen e.d. Naast het Studentenplak waren onder andere het Rijsplak en het Stenneplak ontgonnen. Op het hoogtepunt van de cranberry-handel was er ongeveer 60 hectare in cultuur. In de Tweede Wereldoorlog waren de duinen verboden gebied en de cranberry-valleien verwaarloosden. Na de oorlog werd de cultuur wel weer opgepakt, maar op veel kleinere schaal: in 1960 nog zo'n 14 hectare. Tot voor kort werd helemaal geen onderhoud meer gepleegd. Het plukken gebeurt nog net als voorheen: met de hand, of met een speciaal ervoor ontworpen plukbak, waarmee de harde besjes van de struikjes worden geritst. Micro-klimaat en cranberry. In het duingebied kunnen grote verschillen in micro-klimaat voorkomen. Dit verschil komt onder andere tot uitdrukking in de temperatuur. Wanneer in voorjaar en zomers boven de wadden een hogedrukgebied aanwezig is (voor kortere of langere tijd), dan zal als gevolg hiervan tegen de avond de wind wegvallen. Door de zonnestraling van de voorgaande dag is de bodem heel droog. In duinpannen en droge duinvalleien daalt de temperatuur dan razendsnel door nachtelijke uitstraling, nog eens versterkt doordat koude lucht zich op de laagste plekken (in de duinpannen en valleien) verzamelt. Tegen de ochtend bereikt ze haar laagste waarde. Vlak boven de grond kan het dan tot nachtvorst komen. De cranberries zijn er in hun bloeitijd uiterst gevoelig voor. Veelvuldig mislukt de oogst erdoor. Bovenop het duin is niets te bespeuren van de plaatselijke kou. Het verschil in dag- en nachttemperatuur van het onderste luchtlaagje kan zulke momenten wel 50 graden bedragen. Is de bodem nat, dan valt het allemaal wel mee. Water geleidt de warmte goed. In het micro-klimaat van een natte vallei zakt de temperatuur in het voorjaar bij helder koud weer minder dan in een drogere vallei. De cranberry heeft er dus alle belang bij in het voorjaar met de 'pootjes' in het water te staan. Eertijds was dit ook altijd het geval, tot het duingebied op veel plaatsen ontwaterd werd ten behoeve van dennen-aanplant. Het langzaam droger worden van de plakken doet daarnaast de verruiging van de vegetatie en de vergrassing toenemen; de zure regen helpt er een handje bij. Hoewel er veel cranberrystruikjes tussen de ruige vegetatie blijven staan, vormen ze in dit soort velden geen groene tapijten meer. Het Studentenplak nu Tegenwoordig is het Studentenplak een weinig interessante duinvallei meer. Ze is in plaats van een natte duinvallei tot een verdroogde duinvallei geworden. De vegetatie bestaat niet meer uit moerasplanten, maar uit droge duinheide,kraaiheide en struikheide. Door middel van afplaggen tracht men iets van de vroegere cranberry-cultuur in dit 'plak' terug te krijgen.

Boekhandel Holkema Scheltema en Uitgeverij Holkema & Warendorf


Andere beroemde Holkema's zijn de mannen van de uitgeverij c.q. boekhandel tak, te weten Tjomme van Holkema en zijn zoon Arjen Buwalda van Holkema. J.H. Scheltema begint in 1853 een eigen boekhandel in Amsterdam aan de Keizersgracht 436. In 1868 neemt Tjomme van Holkema Tjomme van Holkema(welke ook reeds een eigen boekhandel bezat) de zaak van Scheltema over onder de naam Scheltema & Holkema. In 1878 start Tjomme van Holkema een eigen uitgeverij. Hij doet de boekhandel in 1882 dan over aan de heer K. Groesbeek. Als Tjomme van Holkema op 4 januari 1891 aan influenza overlijdt, vraagt zijn weduwe Catharina Sophia Kremer of de vroegere werknemer S. Warendorf jr (welke in 1877 als jongste bediende begint bij Scheltema en Holkema ), de zaak van haar man wil voortzetten. Eerst nog als associť, later zelfstandig en vanaf 1898 in samenwerking met haar zoon, Arjen Buwalda van Holkema. Zo onstaat in 1891 de uitgeverij Van Holkema & Warendorf . Als wapenspreuk koos de nieuwe uitgeverij 'Volhardt & Waect'. In 1901 trekt mevrouw de weduwe Tjomme van Holkema zich terug als deelgenoot van de firma Holkema&Warendorf. In 1918 overlijdt S.Warendorf,hij wordt opgevolgd door zijn zoon M.E.H. Warendorf. Omdat Warendorf van joodse komaf is vertrekt deze in mei 1940 naar de USA.Zijn plaats wordt ingenomen door R.van der Velde. Van Holkema en Warendorf wordt door de duitsers gezien als ""Joodse zaak"" ,mede omdat ze in 1915 de uitgeverij Querido,na een faillisement weer in het zadel hebben geholpen. ("Querido" en "Van Holkema & Warendorf" blijven hierna nauw samenwerken).Dit heeft tot gevolg dat Arjen Buwalda van Holkema vanaf 23 mei 1944 niet meer op kantoor mag komen. In augustus 1945 (na de oorlog) komt M.E.H. Warendorf weer terug uit de USA om zijn plaats op te eisen.Het botert allemaal niet meer en Warendorf wordt afgekocht na interventie door de rechter. Arjen Holkema Arjan Holkema gaat verder met R. van der Velde. In 1950 gaat Arjen met pensioen en wordt opgevolgd door A.E. Stheeman. In 1968 wordt de firma "Van Dishoeck,van Holkema & Warendorf" 1980 Opgekocht door Buhrman Tetterode 1986 R.C.Malherbe doet zijn intrede 1991 Fusie met Meulenhoff Na de Keizersgracht 436 was de firma achtereenvolgens gevestigd: in 1891 op de Singel 542 , in 1900 op de Herengracht 457 en sedert Mei 1907 op de Keizersgracht 333 te Amsterdam.